Het Laatste Woord

 

Wie denkt te weten dat hij wel alles weet
is slechts beginneling, dat weet diegene
die  in het verschiet de eindmeet ziet,
en laat ons laatste woord daarom
één  zijn  van dankbare tevredenheid,
waaruit alle verbittering is  opgelost,
dat wij met iedereen tot  vrede  zijn
gekomen, dat alle dromen uit ons
grote levensboek zijn voorgelezen  en
dat er echte vrienden waren om ze te
aanhoren, om zo die dromen met ons
rond  de open haard te delen, hand
in  hand. Ja, laat ons laatste woord
daarom zacht uitdoven op onze lippen
als een kaarsenvlammetje , dat stil
haar stervend Licht nog geeft aan
wie vertroosting zoekt, zodat wij
dan uiteindelijk het Licht ontmoeten,
tot helder weten komen, alwetend
worden en terugkeren tot stil Begin
waarin de eindmeet oplicht als een
Laatste Woord dat nooit werd
uitgesproken, maar ons ontvangt
als een beginneling.

Winterslaap

Als alle wolken zijn verdwenen
zal ik de woorden vinden aan
de horizon, een nieuwe taal
zal dan ontwaken uit een
winterslaap, en golf na golf
spoelen de letters aan, ik hoef
ze enkel te verzamelen zodat
ik dit verhaal kan schrijven
in het zand, en als ik dan
wandel over water neem ik
ze mee, helemaal
tot aan  de overkant,
voorbij de horizon
van het beloofde land

Reis van de vermoeide Harten

Love and Light

De reis begint, dan is het goed om aan de tafel
voedsel in te slaan zodat de geest zich leeg kan
maken, ruimte biedt voor indrukken die
onderweg het oog opvallen als het ver voorbij
de horizon weet dat in de wolken reeds
ontwaken  sluimert voor vermoeide Harten.
Dwalend zwerft de nachtegaal doorheen
inktzwarte Duisternis en toch is hij nog te
onderscheiden, klapwiekend verplaatst hij
de armen die hem dragen, voor het oplettend
Oor vertelt hij over het zachte diepe Weten,
de geborgenheid die men ontmoet als Hout
ontvlamt  nadat het spaarzaam werd verzameld
om ontvankelijke Warmte te verspreiden,
om te delen wat in Winters werd gestapeld
om reeds Zomers te ontvangen, terwijl
de Lente nog op zich laat wachten.
Zo begint de reis, een vaag vermoeden
wat het reisdoel wezen kan is lang reeds
opgeborgen in de kamers van het huis
dat men tussen kale bomen losgelaten heeft
nog voor de reiswind hen onstuitbaar heen
en weer liet zwiepen: zoals een woord kan
komen aangewaaid nog voor het wordt
gesproken, nog voor het oren vindt om in
te wonen, nog voor de taal bestaat waarin
betekenis kan huizen, net zoals ik hier
het lichaam vond dat wenkte, terwijl ik
nog duizenden lichtjaren verwijderd was
van openbloeien, zo klopt de reiswind aan,
een vuurtoren die pal de hoogste golf weerstaat
en zuiver Licht geeft, een straal die als
een navelstreng de sterren likt. Ja, zo begint
de reis, de reis van de vermoeide Harten,
zij weten dat waar Licht en Water elkaar raken
rust te vinden is, een Poort naar diepe en
verwelkomende Warmte die uitnodigend is,
de ogen opent voor wat nog in onzichtbaarheid
verborgen lag, maar toch Aanwezig is, zoals
het maanlicht slechts wordt opgewekt als zij
haar donkere zijde aan de wentelende Zon ter
koestering aanbiedt, groeiend, zoals verlangen
eenmaal losgelaten plots vervulling vindt,
zo komt de reiswind en zo begint de reis,
zo komen zonder aarzeling de eerste stappen.

Afbeelding > Sopena de Carneras, Leon, Spanje

Erlenmeyer

Een naam is als een kolf
waarin het bloed verzamelen
kan: letters ademen er als
gedistilleerde resten, atomen
in een legering, een mengsel
van zout en zand en tijd,
gestold  als edelgas drijven
ze boven, hun uitspraak
zorgt voor oplossing,
en samengesteld
ligt er  een spoor voorbij
de maan van Jupiter voorbij
de sterrennevel Hart en Ziel

Golgotha

Gesprek met een ter dood veroordeelde

Het wachten is op bloed dat rijkelijk zal vloeien
als inkt van zwart gesmolten over groen, helder,
de nachtportier zal drenken in een zee van vuur,
het wachten is op bloed dat rijkelijk zal vloeien
als het zonlicht dan de klinkers zal weerkaatsen
die in hout gedreven zijn, waarmee het kloppen
wordt geschreven waar mijn aders van door
drongen zijn, verschroeiend manna dat zomaar
uit het inktzwart komt gevallen als uitwerpsel
van ingeboren overschot, verstikkend in dit helder
modderwater, O,
het wachten is op bloed dat goed dat bloedt dat
rijkelijk zal vloeien als tussen vingernagels de eelt
bezwijkt voor etter,  als wolken waaruit regen nog
niet druppelt maar die toch al zwanger zijn, O,
het wachten is  op bloed dat rijkelijk zal vloeien,
keer op keer, een periodiek van eb en vloed, als
inkt van zwart gesmolten over groen, helder,
de nachtportier zal aankijken en stamelend vragen
“lees mij dan”, laat mij weerklinken, zoals die spijkers
die in hout gedreven het kloppen zullen schrijven
waar mijn aders van doordrongen zijn, zoals
de nerven van dit blad waarop plots de schatkaart
zich ontplooit en daarop  dan de wegen zijn gebrand
die leiden naar het Paradijs, O,
het wachten, ja, dit wachten is als bloed dat eindelijk
kleur bekennen zal, de kleuren waarmee ik jou als
ademende regenboog omspande, die jou hemelhoog
tot manna puren, O,
je was verrezen en ik offerde mijn bloed dat zomaar
uit het inktzwart kwam gevallen als uitwerpsel van
ingeboren overschot, verstikkend in dit helder
modderwater, O,
het wachten kan niet langer, het bloed heeft mij
genomen, ingenomen, opgeslokt, nu ben ik dan
een inwerpsel dat niet te stelpen valt, een laatste snik,
tot bevend ik dan open voor de dagportier, O,
het wachten wordt hier rijk beloond want kijk:
nu, ja, nu vloeien wij samen in dit helder inktgordijn
van zwart gesmolten over groen, verlossing dan,
eindelijk opgelost.

(afbeelding: “Kristos”, Ferdinand Vercnocke, Olie op doek, 100 x 80 cm)