Categorie archief: Afscheid

Verbinding

En mocht hier niet de leegte zijn die ons verbindt,
waartoe dan dienen deze deuren,
deze muren waartussen wij verblijven, drinken, samen dansen?

En mocht hier niet de stilte zijn die ons verbindt,
waarin ons spreken ruimte vindt,
en mocht hier niet de stilte zijn die ons verbindt
hoe zouden wij elkaar kunnen begrijpen?

Het is de ruimte die ons ademen doet, het geven dat ontvangen wekt,
jouw blik die tot begrijpen leidt,
want mocht het niet de aandacht zijn die ons verbindt,
hoe kan het dan anders?

En mocht hier niet jouw lichaam zijn dat met het mijne zich verbindt,
dat samenvloeit in deze stroom, hoe kunnen wij dan voortbewegen?

Het is de schakel die de ketting maakt, het stilstaan dat beweging brengt,
het woord dat tot geboorte leidt,
want mocht het niet de liefde zijn die ons verbindt,
hoe kan het dan anders?

En mocht hier niet de weerklank zijn die ons verbindt, die wij ontvangen,
waarheen dan dragen onze zinnen,
hou zouden wij elkaar kunnen beminnen?

En mocht hier niet jouw verhaal zijn dat mij omringt,
waarin elk moment opnieuw begint,
en mocht hier niet jouw verhaal zijn dat mij omringt,
hoe zouden wij elkaar anders doordringen?

Het is het luisteren dat ons zingen doet van elke dag een nieuw begin,
dat ons opnieuw doet verder gaan…
want mocht het niet de aandacht zijn die ons verbindt,
hoe kan het dan anders?

En mocht hier niet de weerklank zijn die ons verbindt,
waartoe dan dienen deze deuren, deze muren,
waartussen wij verblijven, drinken, samen dansen?

Want mocht het niet de liefde zijn die ons verbindt,
wat is het dan?
Want mocht het niet de liefde zijn die hier verbindt,
wat zou het anders kunnen zijn?

> dit is een bewerkte versie van “Verbinding”, voorgedragen nav het 30-jarig In Memoriam voor Paul Peeters (1955-1987) te Wilsele op vrijdag 24 november 2017 ~ Bert Evens maakte ook een gezongen versie

Blessures d’enfance – Yves Duteil


On ne sait pas toujours à quel point les enfants
Gardent de leurs blessures le souvenir longtemps
Ni comme on a raison d´aider à s´épanouir
Cette fleur dans leur âme qui commence à s´ouvrir

Moi qui rêvais d´amour de musique et d´espoir
Je m´endormais cerné de frayeurs dans le noir
Certain que tous les rêves étaient sans lendemain
Je m´éveillais toujours le vide entre les mains

Chacun vivait pour lui dans sa tête en silence
Et je chantais mon âme en pleine indifférence
Encombré de mes joies troublé de mes envies
Faisant semblant de rien pour que l´on m´aime aussi

L´été on m´envoyait sur le bord de la mer
Ou au fond du Jura profiter du grand air
Écrire à mes parents que je m´amusais bien
Et m´endormir tout seul blotti dans mon chagrin

J´essayais de grandir, de m´envoler peut-être
Pour cueillir des étoiles à ceux qui m´ont vu naître
J´ai longtemps attendu ce geste ou ce regard
Qui n´est jamais venu, ou qui viendra trop tard

Puis mon frère est parti pour un lycée banal
En pension pour trois ans parce qu´on s´entendait mal
J´avais cherché sans cesse à croiser son chemin
Sans jamais parvenir à rencontrer sa main

Tous mes élans d´amour brisés dans la coquille
J´essayais de renaître en regardant les filles
Aimer c´était malsain pervers ou malséant
Pourtant c´était si doux si tendre et si troublant

Aujourd´hui j´ai grandi mais le silence est là
Menaçant, qui revient, qui tourne autour de moi
Je sais que mon destin, c´est d´être heureux ailleurs
Et c´est vers l´avenir, que j´ai ouvert mon cœur

Mais j´ai toujours gardé de ces années perdues
Le sentiment profond de n´avoir pas vécu
L´impression de sentir mon cœur battre à l´envers
Et la peur brusquement d´aimer à découvert

On ne sait pas toujours à quel point les enfants
Gardent de leurs blessures un souvenir cuisant
Ni le temps qu´il faudra pour apprendre à guérir
Alors qu´il suffisait peut-être d´un sourire

Moi qui rêvais d´amour de musique et d´espoir
J´ai attendu en vain ce geste ou ce regard
Mais quand un enfant pleure ou qu´il a du chagrin
Je crois savoir un peu ce dont il a besoin.

(filmé à Ostende, Mariakerke-Bad, Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Duinen, été 2016)

Gesprek te Emmaüs

Kristos1

En ik herkende Hem bij ’t breken van het brood
en aan de heerlijkheid van zijn gewijde zwijgen..
En ik moest zonder spraak in liefde nader neigen,
kussen de reine hand nog van zijn wonden rood.

– Hij lachte lief en zacht, begreep mijn schuwen nood;
zijn handen trilden en ‘k zag zijn boezem smartlijk hijgen.

“Here gij hebt den mens uw milde wet gebracht,
toch ziet gij in zijn blik de kimmen rood ontstoken,
uw broze heiligdom tot wankel puin gebroken,
en hoort de bangen hoorn lam huilen door den nacht.”

– “Ik sprak en spijsde hen – zo is der liefde macht:
ik sprak van liefde, ach! Ik heb vergeefs gesproken”

-“Here wij zijn belust op buit en eigenbaat:
uw reedlijk evenbeeld verzaakt zijn kalme rede;
de mens beloert den mens naar duistere dieren-zede,
hij looft uw liefde en heult in heimelijken haat.”

– “Ik werd gegeseld, ach! bespuwd in mijn gelaat.
o Kruis op Golgotha!.. Ik heb vergeefs geleden.”

Ferdinand Vercnocke, 25/01/1947, Merksplas, Cel 231
afbeelding: “Kristos”, Ferdinand Vercnocke, olie op doek, 100x80cm

 

Afscheidsbrief

De stilte in mijn hoofd is oorverdovend, terwijl ik
in je ogen kijk lijkt het een wonder dat zelfs jij niets
opmerkt van dit overdonderend verhaal, ik kan het
niet begrijpen, ik kan het niet geloven, wij kunnen
elkaar niet bereiken als de taal ontbreekt.

De hemel boven lijkt steeds verder weg, hoe hoger
ik wil klimmen hoe nauwer lijkt de opening te worden
waarlangs licht naar binnen sijpelt, alsof ik neerwaarts
donder in een omgekeerde waterval, ik hap naar lucht,
ik adem dieper maar de lucht wordt ijler, hoe meer ik
snak naar zuurstof hoe lichter voel ik in mijn hoofd,
steeds lichter, mijn armen worden vleugels, ik kan nog
enkel wieken, het wordt steeds minder mogelijk om
verzet te bieden tegen deze drang die opwaarts stuwt,
er is een zwaartekracht die sterker is, die dwingend
overneemt van ademhalen, ik word ontvangen in
luchtledigheid waarin ik eindelijk spreken kan:

“Ik ben niet meer en toch kijk ik je aan, reik ik je aan:
ik bied je oogverblindend inzicht in mijn taal, schenk
mij jouw stilte, oorverdovend, overdonder en beadem
mij, ik bid je nu, wek me tot leven, luister, vertaal dit
sprekend zwijgen, spreek me aan, doorzie me, bereik me,
herken me, raak me aan, ik weet dat je er bent, ik vraag je:
denk me om, gebruik mijn glimlach en maak er de sleutel
van die de geheimtaal van mijn ziel ontcijfert, breek mijn
code, open mij, treed binnen alsjeblief, vergeet mijn zinnen,
en ik schenk je mijn verhaal.”

De stilte in mijn hoofd is oorverdovend, terwijl ik
in je ogen kijk lijkt het een wonder dat zelfs jij niets
opmerkt van mijn overdonderend verhaal, ik kan het
niet begrijpen, ik kan het niet geloven, wij kunnen
elkaar niet bereiken omdat je mijn taal niet spreekt.

 

 

 

 

Neergelegd

Het was zo’n dag vandaag,
één van de vele honderden die de jaren nu al tellen,
ik heb er mij bij neergelegd,
dat die dagen,
telkens weer,
zich zonder voorafgaande zomaar aanmelden
en wat moet je er dan mee?

Aanvaarden dat er is
een komen en een gaan,
of toch maar hopen dat de volgende
niet meer zo dwingend,
niet meer zo alles overstemmend,
overspoelend zijn?
Zoals golven soms,
als ze opgezweept en brullend zich een weg banen
dwars door en over alles heen,
zand omwoelen,
daarna neerleggen,
telkens weer,
en het tenslotte,
noodgedwongen,
achterlaten op het strand,
uitgestorven.

Ik buig dan nederig voor al dat aanzwellen van machtsvertoon
en kijk of aan de einder er al voorteken van omslag is,
van bedaren,
zoals de jaren die ik tel,
telkens weer,
wanneer jouw beeld zich op mijn netvlies brandt.

Die dagen worden langer,
opwaaiende herinnering,
een herfstblad dat het gras bedekt,
uitgestorven,

daar heb ik mij bij neergelegd.

(Vrijdag 30 oktober 2015)