Tagarchief: leven

Moeder: een leven in beelden (1919-2015)

Het vliegenpapier

Intrigerend kortverhaal van Rober Musil (1880-1942) > hoe de observatie van het kleine een confronterend vergrootglas wordt…

fly2

Het vliegenpapier Tangle-foot is ongeveer zesendertig centimeter lang en eenentwintig centimeter breed; het is bestreken met een gele, vergiftigde lijm en komt uit Canada. Als er een vlieg op gaat zitten – niet zozeer uit gulzigheid, veeleer uit gewoonte, omdat er al zoveel anderen zijn -, plakt ze eerst alleen vast met de buitenste, omgebogen leden van haar beentjes. Een heel zacht, bevreemdend gevoel, zo alsof wij door het donker zouden lopen en met blote voeten op iets zouden treden, dat nog niets meer is dan een weke, warme, onoverzichtelijke weerstand en toch reeds iets waarin langzamerhand het afgrijselijk menselijke binnenvloeit, wat erkend wordt als een hand die daar op de een of andere manier ligt en ons met vijf steeds duidelijker wordende vingers vasthoudt.
Zo staan ze daar allen geforceerd overeind, als lijders aan ruggemergtering die zich proberen goed te houden, of als wrakke oude militairen (en een beetje met o-benen, zoals wanneer men op iets kantigs staat). Ze geven zich een houding en vergaren kracht en denken na. Na enkele seconden zijn ze vastbesloten en beginnen, zo goed ze kunnen, te gonzen en zich af te zetten. Ze gaan zo lang door met deze woedende handeling tot vermoeidheid hen dwingt op te houden. Daarop volgt een adempauze en een nieuwe poging. Maar de tussenpozen worden steeds langer. Zo staan ze daar, en ik voel hoe radeloos ze zijn. Van onderen stijgen verwarrende dampen op. Als een klein hamertje tast hun tong naar buiten. Hun kop is bruin en behaard, gemaakt als van een kokosnoot; als op mensen lijkende negeridolen. Ze buigen naar voren en terug op hun vastgestrengelde beentjes, buigen door de knieën en drukken zich omhoog, zoals mensen doen die uit alle macht proberen een te zware last in beweging te krijgen; tragischer dan zoals arbeiders het doen, reëler in hun sportieve uitdrukking van uiterste inspanning dan Laokoön. En dan komt het altijd even eigenaardige ogenblik waarop de behoefte van een momentele seconde alle machtige duurzaamheidsgevoelens van het bestaan overwint. Dat is het ogenblik waarop een klimmer vanwege de pijn in zijn vingers vrijwillig de greep van zijn hand opent, waarop een verdwaalde in de sneeuw gaat liggen als een kind, waarop iemand die achtervolgd wordt blijft staan met steken in de zij. Ze houden zich niet meer met alle kracht ver van beneden, ze zakken ietwat door en zijn op dit ogenblik helemaal menselijk. Meteen worden ze op een nieuwe plaats gepakt, hoger boven aan het been, aan het achterlijf of aan het puntje van de vleugel. Als ze die psychische uitputting overwonnen hebben en na een poosje de strijd om het leven weer opnemen, liggen ze reeds in een ongunstige houding vast en worden hun bewegingen onnatuurlijk. Daarna liggen ze met uitgestrekte achterbenen, steunend op de ellebogen en proberen zich omhoog te heffen. Of ze zitten op de grond, zich verzettend, met uitgestrekte armen, als vrouwen die tevergeefs hun handen uit de vuisten van een man willen draaien. Of ze liggen op de buik, kop en armen vooruit, alsof ze in volle ren zijn gevallen, en houden alleen nog maar het gezicht omhoog. Maar steeds is de vijand slechts passief en hij wint alleen maar door hun vertwijfelde, verwarde momenten. Een niets, een HET trekt hen naar binnen. Zo langzaam, dat men het amper kan volgen, en meestal met een plotselinge versnelling op het eind, wanneer de laatste innerlijke inzinking hen overvalt. Dan laten ze zich plotsklaps vallen, naar voren, op het gezicht, over de benen heen; of zijwaarts met alle benen gestrekt en van zich af; vaak ook op hun zij, terwijl ze met hun benen achterwaarts roeien. En zo liggen ze. Als neergestorte vliegtuigen die met een vleugel in de lucht wijzen. Of als gekrepeerde paarden. Of met eindeloze gebaren van vertwijfeling. Of als slapenden. De volgende dag nog wordt er soms een wakker, voelt een poosje met een been of gonst met de vleugel. Soms zet zo’n beweging zich voort over het hele veld; dan zinken ze alleen nog wat dieper in hun dood. En alleen aan de zijkant van het lijf, in de buurt van de beeninplant, hebben ze één of ander heel klein, glinsterend orgaan. Dat leeft nog lang. Het gaat open en dicht, zonder vergrootglas kan men het niet aanwijzen. Het ziet er uit als een piepklein mensenoog dat onophoudelijk open gaat en sluit.

zie ook: DBNL De Revisor

Mantelzorg

Zoals ik in jouw mantel schuilen kon en groeien naar het Licht,
zo leg ik nu mijn mantel zachtjes over bei je schouders om je
in te dekken voor een lange nacht, buiten klinken heldere zangers,
en hoog schuiven de wolken aan en op en over, er valt een plotse
duisternis, een lange schaduw snelt vanuit de verte naar ons toe,
het lijkt wel of ook die een deelgenoot wil zijn van dit bedekken,
hoewel ik dacht dat het een nieuwe morgen was, zo scheen me toe
bij ’t horen van de buitenliederen die almaar helderder en helderder
de kamer overspoelen, je glimlacht, je wordt wel meer dan 100 denk
ik dan, en even waait er een gedachte binnen, stel dat ik eerst zou gaan,
wat zal er dan gebeuren, neem ik mijn mantel dan maar mee, of zal
een nieuwe al wat schaduw is doen oplossen in wuiven, in verstuiven,
zoals die penetrante geur die zonder vragen zich komt wagen in de
kamer, deze kamer, de kamer van de hoop, de kamer van wat me nu
een eeuwig duren lijkt, nee, er zijn de dagen van het vragen en het
dragen, er zijn de dagen van de lasten en het water, van aan en op
en over, er zijn de nachten van het wachten, het wachten en het
vrezen, het bevend strelend raken, ja, O ja, geef me, geef me ik zal
niet meer vragen, slechts fluisteren, knikken, niet verstikken, en dan,
dan zal er enkel adem overblijven, jouw adem die zich in de mijne
keert en zich daar nestelt, zoals ik bij jou toen, jij bij mij, je armen
worden vleugels waarmee je wiekend wentelt, keert en mantelt,
waarmee je ziel zich overgeeft aan dageraad en zorgt voor overgang.

afbeelding: foto getrokken toen de rijzende zon door de achterruit zorgde voor schaduw op het olieschilderij “Oceanic Trance”, geschenk van goede vriend & kunstenaar Arno Rollenberg (Alkmaar)

Ode aan de vriendschap en de droomreizen

Zo zeldzaam is de echte vriend gelukkig wie die parel vindt
en bij een roemer malse wijn dan klinken op het samenzijn.
Over problemen peroreren onze idee duchtig verweren;
met wijze teksten ons verpozen die we met zorg hebben gekozen
filosoferen, redeneren en Marx en Hegel confronteren
met Kierkegaard spijts alles hopen en d’existentie niet ontlopen.
Van Schopenhauer ons onthouden die van de vrouwen niet kon houden;
en uitgelezen boeken kopen ze uitlenen en dan maar hopen
de restitutie niet ’t ontlopen! Van verre reizen eindloos bomen
en thuiskomen in onze dromen en dan weer plannen voorbereiden
in deze gure wintertijden naar de geboden voordeelprijzen.
Aan blonde kusten samen toeven waar palmen in de zeewind zoeven…
Kaïro zien en mijmerend traag ontroerd, behoedzaam blijven staan
bij Toet-Ankh-Amons sarcofaag en dan naar El Amarna reizen
de resten van de tempel wijzen.
O Echnaton gij onbegrepen uw zonnedroom in puin gereten
maar als een feniks weer verrezen.
In El Bahari wierook weten die voor Hatjepsut uit de buurt
van Poent naar haar werd doorgestuurd.
De reismicroob heeft ons gebeten, Italië gaan we niet vergeten.
Eerst lieflijk Firenze boeken, d’Uffizia dagenlang bezoeken.
In Boboli’s tuinen ons verpozen en ’t panorama luidkeels eren
en onze lires ruim verteren.
In Rome Paulus’ zegen vragen, de zeven heuvelen ontwaren
het forum en veel kathedralen, in Pompeï de straat der lusten
met schroom betreden en daar rusten maar even, mijmrend dromen,
want in ’t zuiden lokt de overkant:
Hellas, Oud-Griekenland verkennen, aan hittegolven moeizaam wennen,
Acropolis: de stoere rots baker onze culturentrots.
En eeuwen vlieden traag voorbij, we zien de filosofenrij:
Socrates spreekt zijn klare taal, het gif: het eind van zijn verhaal,
maar Plato had zijn woord vergaard en voor het nageslacht bewaard.
Fidas, Muron, kunstenaars roemen, onmogelijk allen op te noemen.
We horen Leonidas prijzen zijn falanx, d’elite der wijzen
die tot het laatste offerbloed getuigt hoe de held sterven moet.
We reizen vrienden met elkaar, behoeden ieder voor gevaar
verdragen alle kleine kantjes en sussen lieflijk misverstandjes.

O Vriendschap is er schoner gave aan deze nectar zich te laven?
Als vreugd’ en voorspoed u verlaat is er de vriend, de toeverlaat
hij is de steun die niet versaagt, die trouw hoog in het vaandel draagt,
de echte vriend uw tweelingbroeder, voor elk gevaar is hij uw hoeder,
hij is de rots in bange dagen, hij wil voor u zijn leven wagen
en treurt met u bij elk gemis de saam gedragen droefenis,
hij deelt met u zijn kloeke buit en waarborgt u zijn vast besluit,
heeft ene Cresus goud met hopen, nimmer kan hij vriendschap kopen.
Gelukkig dus die niet vergeet, de ware schat die vriendschap heet.
En zijn we eindelijk thuisgekomen uit het wanenland der dromen
nog dobbert ’s levens bootje voort,, we glijden samen onverstoord
geen enkel stopsein houdt ons stil, we wuiven ’t jaar uit en weer in.

En komt de laatste bocht in zicht stuur dan de vrienden dit bericht:
de reis gaat naar het Eeuwig Licht, daar wacht op u aan ‘d overkant
nog hechter dan de aardse band de Vriendschap in ’t Beloofde Land.

(geschreven door mijn moeder in 2002 Simonne Vercnocke-Wolfs  @sim_wolfs (1919 -2015 )

Deze “Ode” had ze uitgeschreven op een rol papier die ze dan -afrollend- voorlas:

13

Eindtijd

Er is een einde en begin van dagen en wij weten niet
wanneer ons ogenblik gekomen is, wij reizen door de
tijd, door een onstilbaar Hart gedragen, het is niet aan
te wijzen, en toch is het aanwezig, wij zijn de golven die
op zee ontstaan, gestuwd door het verlangen om aan
land te komen, om op stranden zandkastelen te bewonen
die daar door kinderhand werden gebouwd, tot nieuwe
golven nieuwe dromen wakker spoelen telkens weer, O
wij weten niet wanneer ons ogenblik gekomen is, het staat
geschreven in het einde en begin van dagen, wel 100.000
maal, wij kunnen het wel vragen maar het antwoord werd
door dat onstilbaar Hart ver voorbij de grens gedragen
van wat kenbaar is, slechts als wij dieper zinken zullen wij
niet meer wagen naar die dagen want dan worden wij de zee
die al dat golven op en neer blijft dragen, wij worden zand,
wij worden kinderhand, bewoners worden wij, wij worden
kamer, wij worden hoeders van de ruimte waarin slechts
woont, in einde en begin van dagen, het nooit afnemend
kloppen dat alles overstemt, wij worden poortwachter,
heraut voor de Kasteelheer die ons met Zijn onstilbaar Hart
het einde schenkt en het begin van dagen.

(geschreven nav een inspirerend gesprek met mijn moeder en een 99-jarige dame: mevrouw Grietens, die vaak het zinnetje uitsprak: “er is een einde en begin van dagen”, moeder vroeg daarmee een gedicht te schrijven, ze vond het zo mooi dat ze me opdroeg dit voor te lezen op haar begrafenis, wat ook gebeurde ❤ )