Tagarchief: sterven

Mantelzorg

Zoals ik in jouw mantel schuilen kon en groeien naar het Licht,
zo leg ik nu mijn mantel zachtjes over bei je schouders om je
in te dekken voor een lange nacht, buiten klinken heldere zangers,
en hoog schuiven de wolken aan en op en over, er valt een plotse
duisternis, een lange schaduw snelt vanuit de verte naar ons toe,
het lijkt wel of ook die een deelgenoot wil zijn van dit bedekken,
hoewel ik dacht dat het een nieuwe morgen was, zo scheen me toe
bij ’t horen van de buitenliederen die almaar helderder en helderder
de kamer overspoelen, je glimlacht, je wordt wel meer dan 100 denk
ik dan, en even waait er een gedachte binnen, stel dat ik eerst zou gaan,
wat zal er dan gebeuren, neem ik mijn mantel dan maar mee, of zal
een nieuwe al wat schaduw is doen oplossen in wuiven, in verstuiven,
zoals die penetrante geur die zonder vragen zich komt wagen in de
kamer, deze kamer, de kamer van de hoop, de kamer van wat me nu
een eeuwig duren lijkt, nee, er zijn de dagen van het vragen en het
dragen, er zijn de dagen van de lasten en het water, van aan en op
en over, er zijn de nachten van het wachten, het wachten en het
vrezen, het bevend strelend raken, ja, O ja, geef me, geef me ik zal
niet meer vragen, slechts fluisteren, knikken, niet verstikken, en dan,
dan zal er enkel adem overblijven, jouw adem die zich in de mijne
keert en zich daar nestelt, zoals ik bij jou toen, jij bij mij, je armen
worden vleugels waarmee je wiekend wentelt, keert en mantelt,
waarmee je ziel zich overgeeft aan dageraad en zorgt voor overgang.

afbeelding: foto getrokken toen de rijzende zon door de achterruit zorgde voor schaduw op het olieschilderij “Oceanic Trance”, geschenk van goede vriend & kunstenaar Arno Rollenberg (Alkmaar)

Postuum

Je brief kwam toe, je lippen waren reeds
gesloten en ik opende opnieuw, zoals je
voor de eerste maal verzegelde geheimen
kan ontsluiten, voorzichtig, stil , plechtig
en nieuwsgierig naar wat voorbij het graf
aan openbaarheid wordt gegeven, zoals
een eeuwenoude farao nog spreken kan,
een schatkamer waarvan je het bestaan
vermoedde die nu schitteren kan in al
zijn goed bewaarde pracht en praal, ter
nagedachtenis van lang vergane glorie,
diamanten, goud en mirre , geschenken
van de koningen en keizers om de verre
reis naar onbestemde overkanten in alle
vrede laten te verlopen. En ik las opnieuw
je lach, je liefdevolle dienstbaarheid in
schuchtere woorden die hun best deden
om slechts te klinken als stil getuigende
vergeet-mij-nietjes, je merkt pas dan hun
geurende aanwezigheid als ze verdwenen
zijn, de leegte die dan achterblijft naast
rozenperken die zich haasten  om die plek
dan in te nemen en om snoeien vragen.
Je brief kwam toe, je lippen waren reeds
gesloten, en toch moest ik openen, en ik
opende opnieuw, je sprak tot mij: vergeet
mij niet, ik ben er nog, ruik je me niet?

(foto gepubliceerd met toestemming van betrokkenen)

Sterven

Sterven is een beetje zwerven tussen  een eerste
en een laatste adem. Toen ik je lippen zocht
waarop je stem een zucht werd hoorde ik de
zee, oude verhalen spoelden aan als handen
die zich openvouwden over stranden waarop
kinderen liepen, af en aan om al die weelde
te ontvangen. En zij kwamen wonen in het
huis dat uit je armen groeide, schep na schep,
tot het zweet over je voorhoofd liep. Sterven
is een beetje zwerven tussen een eerste en een
laatste adem, een twijfelend bewegen, heen
en weer, een eb en vloed van geven en van
nemen.  Toen ik je ogen zocht zag ik de zon
weerkaatst die ongemerkt een regendruppel
liet verdampen tot een wolkje dat zich zacht
over je lichaam legde als een mantel, als om
je te beschermen, in te dekken voor deze verre
hemelreis. Sterven is een beetje zwerven tussen
een eerste en een laatste adem, een brug die
oevers van herinneringen verbindt met wat
nog ongewis ligt, ver en onbekend. Toen ik
je handen zocht zag ik een wuiven als een
wind door vleugels aangewakkerd , zich zacht
over jouw lippen boog en tot verstilling bracht.
Sterven is een beetje zwerven tussen een eerste
en een laatste adem, een eerste en een laatste
steen, tussen jou en tussen mij en over alles heen.

Nachtzuster

Terwijl de nacht zich zacht omheen je
schouders legt, als om je in te dekken
voor een lange reis, je te beschermen
voor gevaren onderweg, zo wil ik wel
verlichting brengen, verbanden leggen
tussen waak en slaap, tussen wat nog
niet is en komen gaat, tussen wat niet
geschreven wel gelezen wordt in
de ruimte tussen droom en daad,
terwijl de nacht zich zacht omheen je
schouders legt, onmerkbare omhelzing
van een langverwachte reisgenoot, zo
wil ik wel verlichten, verbanden leggen
over zielennood en over angsten, zoals
een brug de ene oever met de andere
verbindt, zoals een nieuwe dageraad
zich tussen wolkenflarden aan de kim
ontplooit, zoals je adem mijn verlangen
drinkt, zo wil ik je bedwelmen, en je
pas wakker maken als de nacht zich
zacht omheen je schouders legt

Verlies

Nu ik plots afscheid van het zonlicht neem
vraag ik me af : waar heb ik het verloren?
Alsof de nacht steeds baadde in het licht zo
leefde ik zonder een glimp van enig teken
aan de overkant. Een vuurtoren die uitgeblust
nog draait, maar enkel kraaien nog tot
woning dient. Onzichtbaar zijn ze, even
zwart als het geblakerd glas waar zelfs geen
spiedend oog doorheen kan. Waar heb ik het
verloren? Is er een maaltijd waar ik niet
genood was? Heb ik in onvertogen woord
een ziel gekwetst of ben ik al vergeven?
Dit aanschijn is mij nooit getoond, zelfs
niet in dromen. Nu ik plots afscheid van
het zonlicht neem vraag ik me af: wordt
mij nog licht geschonken? In deze poel
van duisternis blijft zelfs het vuur nog
donker, hoewel ik scherp de hitte voel.
O, kom, wees lief, bevrijd me en ik zal
slapen als een roos die geurt zoals enkel
een roos kan geuren. O, kom, bevrijd me
van de angst die mij hier met open armen
van alle hoop berooft. O, kom, laat mij
niet los, ik zal je ieder woord beloven
als je mij zonlicht schenkt. Want nu ik
plots afscheid neem, verloren, vraag ik
me af: waar ken ik deze wind dan van,
tenzij van toen ik werd geboren?