Tagarchief: Jij

Jij

Tranen kunnen vloeien zoals druppels die
onmerkbaar samensmelten in het water van
de hoop. De zon verblijdt je hart en je ziel
springt op van vreugde want de liefde is
geboren. Dit alles zal ik tot het einde aan
je schenken want ik ben vol van jou, dit
is een overlopen , een zo vervuld zijn dat
alle vogels slechts dat ene lied voortdurend
laten klinken. Ik hoef niet meer te vragen
waar je bent, want voor ik deze woorden
spreek ben je er al. Zo kunnen tranen vloeien
die onmerkbaar samensmelten in het water
van de hoop. Het zijn de zonnestralen die
dit verlangen strelen en laten schitteren
als regenbogen , die alle druppels als
even zoveel diamanten om je schouders
hangen. O, ik ben vol van jou, dit is een
overlopen, een zo vervuld zijn dat alle
bloemen voor jouw wandelen een tapijt
ontrollen waarin reeds onze kinderen
verweven zijn. O, kijk: een bruidsluier
bloeit open, een keizerlijke kroon die je
het hof maakt terwijl hoog in blauwe
luchten enkele witte wolken varen als
vlaggenschepen van vervuld verlangen.
Zo kunnen tranen vloeien die onmerkbaar
samensmelten in het water van de hoop.
Zo diep, zo pijnloos, zo genezend is dit
liefhebben dat alle zorgen in het Niets
verdwijnen, zo vol ben ik van jou. Jouw
liefde prijkt als witte anjers, is een teken
van een eeuwig duren. Zo kom ik nu naar
jou, omdat ik weet dat je me zal ontvangen,
en me maaltijd laten delen, zoals tranen
vloeien die onmerkbaar samensmelten
in het water van de hoop.

Glazen Hemel

Zoals ik kijk naar jou, zo is het
kijken naar wolken achter glas,
de hemel laat zich slechts heel
even kennen, een ogenblik, de
tijd om al te wennen aan een
eeuwigheid. Stukje bij beetje
stapelt de ene wolk zich op de
andere, tot er een vreugdevol
herkennen komt, een helder
wederzien, een korte knipoog,
als om je vertellen dat je welkom
bent. En als je reiken wil dan
zal je alle glas wel overwinnen,
want het staat in zand geschreven:
zoals de wind met wolken speelt,
zo strelen golven vaak  het strand,
een nooit aflatend herbeginnen
tot alle kijken wordt zoals een
eeuwig minnen, zoals de wolken
stapelen, in een  hemel voor het
glas.

Spiegel

Liever dan dat ik vlucht voor wat er uit
de spiegel spreekt, kijk ik naar boven en
zie de wilde ganzen die in hun vlucht
gedragen worden door een wind waar
wij nog maar van kunnen dromen, en
hoger nog zie ik een ster, zo helder dat
zij zelfs in het zonlicht schittert, zo ligt
een lichtjaar voor het grijpen, je hoeft er
enkel naar te kijken en wat je ziet is
niet meer daar, maar hier, zoals een
zonnestraal die op je huid onzichtbare
verhalen schrijft, je voelt die warmte bij
het slapengaan en in je droom ontwaakt
dan het begrijpen. Liever dan dat ik
vlucht voor wat er uit de spiegel spreekt
kijk ik naar binnen en zie dan wat er
in mijn ziel ligt opgeslagen, het is een
oud verhaal, geschreven zonder woorden,
het wordt gedragen door die wind, door
een vervuld verlangen dat even daar
kwam wonen tot het mijn stemming vindt,
om te weerklinken en zo word ik dan
eindelijk geboren, ben niet meer hier,
maar daar, kan nu beginnen aan
mijn vlucht tussen de wilde ganzen, ik
vlieg en hoef niet meer te vluchten en
toch voel ik nog vaste grond, ik wandel
en ik word een regenboog, die spant
van hier tot daar, wakker nu kan
ik dan schitteren, een lichtjaar ver,
voorbij het kijken nu kan ik dan spreken,
ik zie je blik en word de spiegel waar ik
net voor vluchten wou.

Zoals

Zoals je luistert, spreekt en voelt, zoals
je kijkt en lacht, zoals er tranen zijn, zoals
je armen en je handen, zoals je vingers
zachtjes en zoals je adem  en je hart,
zoals je bloed doorheen je aders, zoals
je moeder en je vader, zoals je bent en
wandelt in het gras en op het water, zoals
je aan de hemel schittert en zoals je
in enkele wolken woont, je langzaam
omdraaien zoals dat uit je schaduw blijkt,
je  zwemmen in een bed van bloemen en
zoals je geur nu door de kamer danst, zoals
je zitten onbeweeglijk, je fluisteren zoals de
nacht, stil, donker zo aanwezig, en je schijnen,
je verlichten doorheen sluiers, zoals je zweven,
je fladderen rond alle vlinderbomen, O, zoals
je bent, zo ben je nu, zo wakker hier in mij.

Nieuwgeboren

Wie ben je, waar ben je, wat ben je?
Je spreekt in zoveel talen, ik herken
je niet, als een kameleon sluip je
mijn netvlies binnen, nu eens denk
ik je te kennen, zelfs te herkennen.
Wie ben je, waar ben je, wat ben je?
Ik denk niet meer, ik trek me terug
net als een vos, een salamander,
zal ik mijn ziel verkopen of laat
ik alles dansen, laat ik alles wiegen
evenwichtig balanceren op het puntje
van mijn tong? Terwijl je spreekt kan
ik niet anders dan  dit woordenspel
miljoenen malen te herhalen tot ik
je vind, tot je doorzichtig wordt, een
sfeer, een heilig teken, zoals je naakte
huid, waarop dit schrijven zichtbaar
wordt, getooid, versierd. Wie ben je,
waar ben je, wat ben je? Man of vrouw,
hard of zacht, ijs of water, en kijk ik
in je  zal ik dan liefde vinden, een
nieuwgeboren ster, of zal een lichtjaar
nodig zijn  om  je toch aan te raken?
Was het een toevalstreffer die je hier
bracht, of toch een wonder, een vrucht,
zoals de volle maan  die deze nacht
verlicht, een zingend bidden, knielend
voor de zon die zich heeft teruggetrokken?
Wie ben je, waar ben je, wat ben je?
Nu alles is gezaaid is het slechts wachten
op een nieuwe lente, raak me aan, voel
me, wees nu mijn kind en wordt geboren.