Onderstroom

boomring1

En als ik je dan zie voel ik de onderstroom,
die  sterker dan de golf  de diepte schuurt,
mijn wezen raakt,  beroert, zoals de  traan
die opwelt uit de bedding van de ziel,
zuiver, helder en ontdaan van alles
wat het oog vertroebelt en het hart bezwaart,
verlichting brengt,  de enige getuige
van wat daar op  de bodem leeft.

(foto: boomdoorsnede, jaarringen en knopen van takken)

Vuurtoren

 

Ben ik het Noorden kwijt dan kijk ik naar
het Zuiden, en als ik in het Westen woon
weet ik het Licht aanwezig in het Oosten.
Zo ben ik altijd thuis. Zoals een windroos
waai ik door dit leven , adem regenbogen
word gevangen in een spel van woorden
tot jij me in je ogen vangt, mij leest, mij
laat geboren worden, hoe kan ik dan niet
van je houden? Als alle licht verdwenen
is ben ik er nog, want met je handen laat
je me ontbranden, en met je lippen wakker
je me aan, je adem voedt verlicht verlangen,
in al mijn spiegels laat ik je bestaan, tot ik
mezelf weerspiegeld zie, een zonnestraal
gevangen in dit vurig weten en ik wijs je
aan, zo ben ik niet, zo ben ik altijd thuis.

Zweven

Het is zoals een zweven tussen de hemel en de aarde,
tussen mijn hart en ziel, 
het is zoals een zweven,
even geven, even 
nemen, zoals hoog in de wolken
ik geboren ben.
 
Het is zoals en zweven en soms is het
dan
goed van wat als een geheim tussen de heuvels van
dit Ruigoord ligt geborgen nog even 
in zijn rust te laten.
Het is zoals een zweven en mijn hart gaat hevig  heen
en weer tussen dit weten en vergeten.

Tussen de bladzijden vergeeld heb ik je dan
gevonden,
je lach was welbekend, zoals een
zweven heb jij me dan
herkend. De hemel 
werd dan uitgeklaard en hoger
nog kon ik de
adem
vinden die te ruste leggen kan.
Het is zoals een zweven tussen de glimlach
van je
ogen, vraag niet meer want ik herkende
het, het was mij
al gegeven, diep geborgen diep
verborgen in de bedding
van de heuvels hier,
de heuvels van het weten en vergeten,
als geheim nog niet ontsluierd.
Het is zoals een zweven en nu, nu dan herken
ik pas
je stem. O, nee, vraag niet meer, je hebt 
me al gegeven,
hier is dan eindelijk dit zweven, 
en nu, nu ga ik dan heen,
ik zweef nu verder 
tussen de hemel en de aarde, en verder
dan
zal ik je kussen, je omarmen tot je niet meer spreekt
en wij dan in elkaar geborgen worden
tot wij ooit gevonden
zullen worden, tot dit 
geheim zal zweven tussen de hemel
en de aarde,
tussen ons hart en onze ziel.
Luister: wat daar geschreven staat zal dan gelezen
worden voor wie ook zweven kan, hoog in de wolken
en voorbij het weten en vergeten, voorbij wat hier
geschreven staat,
luister, stil,
nu

(geschreven en voorgelezen tijdens I Tjing Symposium 13/7/2009 ~ Ruigoord, zie foto hieronder)

ruigoord

Denken

Zal ik naar je kijken vandaag, hoe
doe ik dat, met mijn verblinde ogen,
zal ik naar je luisteren vandaag,
hoe doe ik dat met mijn gedoofde
oren, zal ik met je spreken vandaag,
hoe doe ik dat, ik ben het woord
verloren, zelfs schrijven doe ik met
jouw handen, en voelen met jouw
hart. Waar ben ik dan? Ik ben er
niet tenzij in jou, er is een denken
en het leeft in jou, er is een denken
en het spreekt in jou, want anders
was ik niet, tenzij in jou, zal ik dan
in je denken? Jij voelt de wind die
waait om jou, de regen die nu stroomt,
nu danst met jou, jij ziet de boom
die buigt met jou , nu speelt met jou,
je hoort de zee in jou, nu golft met
jou, jij voelt de liefde die nu bindt
in jou, en nu verwekt met jou, zoals
dit denken dat nu denkt in jou, zo
zal ik zijn, in jou, met jou, als jou,
en altijd zonder jou.

(afbeelding: “Zelfportret”, Ferdinand Vercnocke,
olie op doek, 100cmx80cm)

Papa

Je bent niet meer hier  je bent nu daar klinkt
tussen muren hier een  lied, alsof ik je nu zo
maar vergeten kan,  alsof je niet meer bent,
hier, te midden  onze  clan, alsof, alsof, alsof,
alsof we nu maar stil  geruisloos moeten doen,
doen alsof, met foto’s, beelden, kleuren die je
achterliet, en geuren, ’t enige tastbare dat
nog van je blijft, maar ’t blijft alsof, alsof je
ons nog met je mantel vol van Liefde stilletjes
bedekken wil. Maar ik, ik  weet nu beter wel,
want net heb ik je stem gehoord,  je klonk plots
even zacht en warm,  zo zonneklaar, zoals altijd,
zoals je mij,  die ongeschonden,  ongerept, en vol,
zo vol verwachting pas op  deze  wereldbol kwam
piepen, in je twee sterke  handen nam, mij droeg,
mij zachtjes streelde , dan fluisterde en zei:  lief
kind, hier ben ik nu vertrouw me  maar, geloof
me vrij, want het is waar, écht waar, wees welkom
hier, en nee, o  nee, niet zwaar, niets zwaar,  ik  ben
nu  hier en niet meer  daar, zie je het niet,  je bent
zo licht, zo zonnehelderklaar.

(schilderij: “Apocalyps”, door mijn vader,
Ferdinand Vercnocke +1989,
olie op doek, 175cmx150cm, 1964)