Maandelijks archief: januari 2012

Staken

 

Vandaag klinkt het parool
het schalt in alle talen.
Kan een gedicht
nog woorden vinden
om de rede te bevolken,
om zwart op wit de karavaan
naar het Beloofde Land te leiden,
het nieuwe Pad  te banen,
om als een voortrekker
banier te zijn van welvaart,
melk en honing,
om het verschil te maken?
Mijn hart dat bloedt,
mijn hoofd besluit te staken.
De luchten trekken zwart en zwaar,
terwijl enkele witte wolken
toch nog hoop vertolken,
het lijken wel soldaten
die hun wapens achterlieten
zich tussen de gelederen nestelden
en van de frontlinie
een schaakbord maakten,
het speelveld van de generaals
blijkt plots een slagveld,
want hun hart dat bloedt,
hun hoofd besloot te staken.
Er zullen altijd woorden over zijn
om pijn te schrijven,
hoeveel nog blijven over
als ook die verdwijnt?
Wanneer de wapens zwijgen
zal er nog voedsel zijn
voor hoop om stilte te bevolken,
zoals ook dit gedicht
dat voor de rede woorden zocht
als witte wolken?
Vandaag klinkt het parool,
het schalt in alle talen.
Terwijl de meesters schaken
roept nu mijn hoofd om bloed,
mijn hart besloot te staken.

Oude Getrouwe

Want heb jij ook die wolk gezien die
tussen twee kometen plots verscheen,
zomaar, in het helder blauwe niets,
tot alles even plots verdween? Het ging
zo snel dat al je ogen knipperden, je
kon het niet geloven, het was onmogelijk,
alsof je in het gras naar diamanten
zoekt: je denkt zo vaak dat vinden
niet voor jou is weggelegd. Toch zoek
je verder, tegen dat beter weten in,
als naar een ster, onzichtbaar voor
het blote oog, maar wel aanwezig,
je denkt dan: het zal het zonlicht
zijn dat me nu parten speelt, ik zal
maar wachten op de heldere nachten,
je weigert te geloven dat zo’n geluk
niet voor het rapen ligt, dat deze
schatten niet voor jou zijn weggelegd,
omdat je vinders kent, je ziet het in
hun ogen toch, en tijdens dat besef
groeit al opnieuw de twijfel: is wat
ik zie gezichtsbedrog? Maar ergens
diep in jou leeft nog het schaduwbeeld 
van een herinnering,  je  kan er niet
je hand op leggen, je voelt het als
de adem van een diepe warme water
bron die met een vaste regelmaat,
oud en getrouw,  en straal na straal
je hart verlicht, zodat die twijfel snel
verdwijnt totdat het opnieuw donker
wordt en koud, tijdens het zwijgen.
Ach  ja , ik weet het wel, hier is geen
plaats voor wolken, verschijnen geen
kometen, deze planeet bestaat slechts
bij de gratie van dat diep verlangen
twee helften aan elkaar te binden,
alsof je niet al helemaal volledig
bent – want dat is alles, en ook niets
– alsof er iets ontbreekt – wat dan
vraag ik me af – alsof een ster zomaar
zou wachten om een volgend lichtjaar
in te stappen- kijk dan omhoog, zie
je het Licht niet dat je belangeloos
gegeven werd, je toekomst, je verleden
– neen, wat hier te vinden  is, is slechts
de afdruk van wat enkele diamanten
achterlieten in dat gras, alweer was
je vergeten dat jij het was die ze daar
achterliet, als tranen van geluk, die
door dat sterrenlicht dan werden
meegenomen om ze in veelvoud aan
jou terug te geven, zoals een wolk die
plots dan tussen twee kometen zomaar
uit dat helderblauwe niets verschijnt,
het enige wat je slechts hoeft te doen
is te ontvangen, of was je ook nog eens
dat schaduwbeeld vergeten, en van
Wie denk je dan wel dat dat  was?
Haal dus diep adem tussen dat oude
en getrouwe, en luister naar de stilte
tussen beide, waar straal na straal
als een fontein enkel die zuiverende
Liefde je dan helemaal onderdompelt,
tot al je vragen worden opgelost, en je
dan eindelijk die Ziel herkent, en dan
heb je die rust gevonden, zwem je
opnieuw in het vertrouwde warme
water van de Levensbron en schitter
je , zomaar in dat helder blauwe niets
als tussen twee kometen net die ene wolk.

(afbeelding: Peperonity)

ps: “Oude Getrouwe” cfr  > “The Old Faithful”, Yellowstone Park, Wyoming, USA

Wie

Wie ben je zeg het mij, wie ben je,
wie zal zeggen dat jij het bent als
ik niet weet wie je bent? Zoals een
blad dat dwarrelt in de wind zie
ik naar jou, ik wil je met mijn ziel
bereiken maar je waait steeds verder
weg, wie ben je, zeg het mij. De boom
blijft achter en houdt er stug het
zwijgen toe, hij heeft je losgelaten
zijn takken wuiven nog, je afscheid
deert hem niet, en jij waait verder,
en kijkt met snel verkleurend licht
naar wat je zo lang wakker hield.
Wie ben je, zeg het mij ik zou je zo
graag leren kennen, maar je waait
steeds verder, alsof je mij ook
losgelaten hebt. En ik blijf achter,
zwijgend zie ik hoe wolken met je
spelen, hoe je in hun armen wiegt
jouw afscheid ken ik niet en toch
wil ik jou zo graag horen zeggen
wie je bent. Je zwijgt en daarin
herken ik plots aanwezigheid ,
alsof niet ik maar jij het was die
vroeg: wie ben je zeg het mij.

Werken

Zou het hier goed wonen zijn?
Het water kent geen wederwoord,
het vloeit zijn leven zoals ons spreken
in de bedding van het luisteren.
Waar zijn de kinderen die in hun spel
onder de toren alle tijd vergeten?
Waar in het gras langs groene bermen
liggen de uitgestrekte tekenen
van samenzijn?
Waarom dit stromen nu nog vast te leggen
op het netvlies van geheugenbanen?
Zal dit verleidingsspel nog duren
tot de stenen zullen zijn verdwenen?
Zoveel tranen liggen hier te wachten op de zon.
Dit gras is vochtig, vruchtbaar,
maar het groeien kent nog geen begin.
Vader wandelt hier eenzaam tussen
de liederen van vogels die de muren strelen.
Hij is er niet, enkel in wonen.
Voorbij de verte kan hij de aandacht
merken van dit Werken, zoals toen je
ontwaakte uit een vlucht, een helder
zien van wat met onzichtbare inkt
geschreven staat.
Zou het hier goed wonen zijn?
Want altijd heb je geloofd in wat je
ogen toonden.
Altijd kwam het kijken voor het weten.
Wie moet vergeving vragen?
Wie blijft zieltogend achter in dit dorp
waar eens vergeten woonde?
Dan zullen ogen in de nacht oplichten
als opalen, dan zal verdwalen leiden
naar sporen die de stenen achterlieten,
dan zullen aan tafels van de hoop
de glazen klinken, in Werken zal
het dan goed wonen zijn,
dan zal de watermolen verhalen malen
waarvan het goed proeven is.
Verder wandelt vader, in Werken woont hij,
zijn voetstappen vragen niet langer om
gevolgd te worden, want hij is er niet,
enkel in Werken.

(geschreven bij een bezoek aan het West-Vlaamse Werken, deelgemeente van Kortemark)

afbeelding: Kruisstraatmolen, Werken

Ode aan de vriendschap en de droomreizen

Zo zeldzaam is de echte vriend gelukkig wie die parel vindt
en bij een roemer malse wijn dan klinken op het samenzijn.
Over problemen peroreren onze idee duchtig verweren;
met wijze teksten ons verpozen die we met zorg hebben gekozen
filosoferen, redeneren en Marx en Hegel confronteren
met Kierkegaard spijts alles hopen en d’existentie niet ontlopen.
Van Schopenhauer ons onthouden die van de vrouwen niet kon houden;
en uitgelezen boeken kopen ze uitlenen en dan maar hopen
de restitutie niet ’t ontlopen! Van verre reizen eindloos bomen
en thuiskomen in onze dromen en dan weer plannen voorbereiden
in deze gure wintertijden naar de geboden voordeelprijzen.
Aan blonde kusten samen toeven waar palmen in de zeewind zoeven…
Kaïro zien en mijmerend traag ontroerd, behoedzaam blijven staan
bij Toet-Ankh-Amons sarcofaag en dan naar El Amarna reizen
de resten van de tempel wijzen.
O Echnaton gij onbegrepen uw zonnedroom in puin gereten
maar als een feniks weer verrezen.
In El Bahari wierook weten die voor Hatjepsut uit de buurt
van Poent naar haar werd doorgestuurd.
De reismicroob heeft ons gebeten, Italië gaan we niet vergeten.
Eerst lieflijk Firenze boeken, d’Uffizia dagenlang bezoeken.
In Boboli’s tuinen ons verpozen en ’t panorama luidkeels eren
en onze lires ruim verteren.
In Rome Paulus’ zegen vragen, de zeven heuvelen ontwaren
het forum en veel kathedralen, in Pompeï de straat der lusten
met schroom betreden en daar rusten maar even, mijmrend dromen,
want in ’t zuiden lokt de overkant:
Hellas, Oud-Griekenland verkennen, aan hittegolven moeizaam wennen,
Acropolis: de stoere rots baker onze culturentrots.
En eeuwen vlieden traag voorbij, we zien de filosofenrij:
Socrates spreekt zijn klare taal, het gif: het eind van zijn verhaal,
maar Plato had zijn woord vergaard en voor het nageslacht bewaard.
Fidas, Muron, kunstenaars roemen, onmogelijk allen op te noemen.
We horen Leonidas prijzen zijn falanx, d’elite der wijzen
die tot het laatste offerbloed getuigt hoe de held sterven moet.
We reizen vrienden met elkaar, behoeden ieder voor gevaar
verdragen alle kleine kantjes en sussen lieflijk misverstandjes.

O Vriendschap is er schoner gave aan deze nectar zich te laven?
Als vreugd’ en voorspoed u verlaat is er de vriend, de toeverlaat
hij is de steun die niet versaagt, die trouw hoog in het vaandel draagt,
de echte vriend uw tweelingbroeder, voor elk gevaar is hij uw hoeder,
hij is de rots in bange dagen, hij wil voor u zijn leven wagen
en treurt met u bij elk gemis de saam gedragen droefenis,
hij deelt met u zijn kloeke buit en waarborgt u zijn vast besluit,
heeft ene Cresus goud met hopen, nimmer kan hij vriendschap kopen.
Gelukkig dus die niet vergeet, de ware schat die vriendschap heet.
En zijn we eindelijk thuisgekomen uit het wanenland der dromen
nog dobbert ’s levens bootje voort,, we glijden samen onverstoord
geen enkel stopsein houdt ons stil, we wuiven ’t jaar uit en weer in.

En komt de laatste bocht in zicht stuur dan de vrienden dit bericht:
de reis gaat naar het Eeuwig Licht, daar wacht op u aan ‘d overkant
nog hechter dan de aardse band de Vriendschap in ’t Beloofde Land.

(geschreven door mijn moeder in 2002 Simonne Vercnocke-Wolfs  @sim_wolfs (1919 -2015 )

Deze “Ode” had ze uitgeschreven op een rol papier die ze dan -afrollend- voorlas:

13