To all

To all with ears: they hear,
to all with eyes: they see.
Let’s not be blind to all
what’s written and to all
that flows, wherever you
may go you leave something
behind, so is the memory
the mirror of the mind
and with each footstep
there is more to tell,
o yes: wherever you may
go you leave something
behind.
To all with heart, to all
with love: they shall inherit
paradise, wait not, moments
are wings, and to a dying
day they are as intimate as
to your lips a kiss, so then:
fly high above the setting
sun, and rise above the oceans,
open, breathe deep, drink, and
be, for in the end remember:
to all with ears they’ll hear,
to all with eyes they’ll see.

(picture taken @ Kallo, Belgium)

The Way Of Things

It is not much I know about the way of things,
from time to time I could appreciate a sunset
though, or Love and even falling leaves could
with their dance inspire me to a word or two:
lessons learned, notes played, work done, eyes
closed, roads travelled, questions answered
lovers lost, I must confess I welcomed all, but
in the end you see, there is not much I know
about the way of things, and then, when evening
comes, daybreak a life away, when no more sleep is
left to shelter all my dreams, and time too short for
yet another masterpiece, I wonder whether you will
still be here to comfort me, you who claimed
to know much more about the way of things.

Feniks

Kijk naar buiten, je gelooft niet
wat je ziet. Op het gras tussen
de klokjes staat een feniks en
hij kijkt naar jou. In de verste
verte is er geen vuur te bespeuren,
maar je proeft het branden van
je hart. Als een verloren vuurtoren
knippert zijn ene oog naar jou, hij
hangt tussen de halmen, wenkt
met een verhaal waaraan geen
weerstaan helpt. Kijk naar buiten
en je gelooft niet wat je ziet. Voor
verre wolken hangt een feniks en
hij brengt het vuur naar jou.
Woord voor woord branden zijn
tranen even zoveel diamanten, hij
hangt ze als een parelnet over
je schouders dat je verwelkomt
in dit paradijs op aarde. Kijk,
kijk naar buiten en je gelooft
niet wat je ziet. Eén oogwenk en
hij vliegt weer op, verdwijnt en
laat je achter met zijn vuren
mantel waarvan je nu het branden
voelt. O feniks, lieve boodschapper
die parels strooit als hemels
manna, waar ben je nu? Ik
word verteerd, ik kijk naar buiten
en ik zie de druppels op de halmen
en daarin weerspiegeld zie ik
jou.

Drifting

What does a cloud win by drifting there
on wings unseen, on what was uttered
in a silent voice, your Eyes still
hidden in the Night? What does a cloud
win by drifting there on wings unseen,
on a word,a murmer, your whisper from
afar? What does a cloud win by drifting,
drifting in an open sky, and only Sister
Moon to welcome this one homecoming sail,
since by its presence Brother Sun for once
obscured, cannot take part in celebration?
What does it win, and what is there to win?
O Lord, it is Your breath inspiring, Your
silent Word on which we drift, should any
army ask for our surrender it is You we
turn to, and You lift our sail, You make us,
make us drift on wings unseen, and homecoming
then, effortlessly, we wonder: what was there
to win?  The answer then is drifting, drifting
there on wings unseen.

Geweten

O ja, ik weet dat je er niet meer bent,
geen afdruk meer, geen indruk die nog
overblijft, zoals een sneeuwvlok ben je
al gesmolten, zoals mijn hart nu smelt
voor jou, zo blijft er niets meer over,
je woorden ver weg uitgestorven, je
lippen als versteend gebleven aan de
horizon van waar de ogen zoeken naar
een stip die hopelijk zal groter worden,
o ja, ik weet dat je er niet meer bent,
geen afdruk meer, geen indruk die nog
achterbleef toen alle deuren sloten,
zoals de dichter zwijgen moet, zo valt
de regen, de wolken willen het niet weten,
zelfs al zeg je: maar ik zie je graag,
we willen het niet weten, we willen
het niet weten, we willen niet geweten
hebben dat alle regen samensmelt om
ons verdriet te dragen, en o ja, ik weet
dat je er niet meer bent, geen afdruk meer,
geen indruk die nog overblijft, maar dat
wat samensmelt wordt niet vergeten,
dat wat geweten is gemeten, het wordt
gewogen en gewikt, tot enkel nog de stilte
achterblijft, wat daarin dan wordt
aangewezen zal zo een afdruk zijn,
de indruk van geweten, zodat ik weet
dat je nog hier bent, in dit gesmolten land,
verdronken, niet meer zichtbaar voor het
blote oog, en aan de horizon enkel
de afdruk van geweten, daar staan veel
woorden om de liefde te vergeten,
slechts weinig zijn er nodig: een indruk,
afdruk, maar ik zie je graag, ik heb het
altijd wel geweten, dat om de droom
te zien je eerst maar weer vergeten moet,
dus sterft de dichter, alles wordt toegedekt,
raak me niet aan, betreed dit ongerept
gebied slechts als je spoorloos bent,
geen indruk achterlaat, geen afdruk,
gebruik geen woorden, adem niet en
zwijg in alle talen, want nu ik weet dat
je er niet meer bent zal ik versmelten,
knikken, stikken, snikken en gestolde
tranen achterlaten, daarmee je handen
vullen, en ooit, als alles wat geweten
is vergeten en als de dichter zwijgt
blijft nog dit grafschrift over, versteende,
afgedrukte, ingedrukte lippen, maar
ik zie je graag.