Wormhole

Eternities ago, there was a window opening
the ceilings of my youth, a wormhole to a Star
unseen, split seconds opened as a pair of
wings, uplifting, ocean deep, a blue reminder
of a dream yet to be dreamt, taking my life
back to the womb it barely had outlived: was
it perhaps Your wish  to take me back, because
my journey here had to Your Eye fulfilled Your
imprinted demand?  I stayed, forgot about Your
Call, ignored the Love so generously poured
into my Soul and went to sleep, and so retired
I walked blindfolded, equally guided, and
with each step  the window narrowed, leaving
only a faint and distant ray,  forgotten scent,
the remnant of a slow perfume, disintegrating.
And now, You’re here again, it’s through the
door You enter now,  and no, no more can I
ignore,  Your wish was not retirement for me,
there is a Life to live, and wings to spread, a
million waves to dance to on an ocean breeze,
through the wormhole, born again, I breathe,
I thank You then, and silently I recognize
sometimes it’s better to retire, to wind up, so
as better to give way to Life’s umbilical cord,
the imprinted Fire of our Heart and Soul.

(picture: tree rings and nodes)

Woordenschat

Er zijn woorden die zo breekbaar zijn als water,
pas gestold, kristallen die het staalblauw van
de hemel laten harden tot een schelp van ijs,
een ijl, doorzichtig vlies dat rond je stem hangt,
zo stil, zo breekbaar en dan, zoals de zon kan
opwarmen, is het goed ze dan pas uit te spreken
als ze kunnen thuiskomen, een haven kunnen
vinden voor hun kwetsbaarheid, ver weg van
wreed gebulder, eindelijk beschermd, gedragen
door de liefde van stilzwijgend weten.

Majesty

As Moon to Sun
So Ice to Water
As Silence is to
Words and Sand
to Sea, so are the
Waves Eternity,
the everlasting
Presence of Your
Majesty

Sunset @ Afsluitdijk, The Netherlands, May 2011

Vruchtafdrijving

Er waait een wind die over kaarsen laait
een wind die over, in mij vloeit zoals het
water dat steeds komt en gaat, waarin
ik je herken. Tussen tralies op de oever loopt
het koude licht over een bed van spiegelingen,
zoals dit kijken naar verdrinken, naar jou,
naar mij, naar samen zinken en zo loop ik
over,  in jou, met jou, tot het ademhalen dan
de ruimte vindt om te ontbinden, los te laten
en zielen zich verbinden.  Er waait een wind
die over kaarsen waait zoals herinneringen,
zoals je  marmeren huid het zonlicht laat
weerkaatsen, witte gepolijste  witte woorden
die komen en die gaan in een herhalend
zingen, een steeds weer tikken zoals druppels
op een geopend vensterraam.  Er waait een
wind die zacht de vlammen streelt, alsof je
met je armen hen wil koesteren die reeds
wonen aan de overkant. Kom leg je hand,
rust, laat je verlangen haven vinden, laat
het, laat het en laat mij,  en kom, kom, o,
laat je door deze golven strelen, overspoelen,
je zandstralen tot fijngemalen je helemaal
doorzichtig wordt, zing, zing tot je zang
een zweven wordt, een ijl en stil verblijven.
Er waait en wind, mijn kind, er waait een
wind, mijn kind, er waait een wind , luister
want hij fluistert nu je naam, hij spreekt
je aan, hoor je mij, kom, kom, kom nu en
loop over, over naar de overkant, over tot
de laatste druppel zich overgeeft aan dit
sprakeloos verbazen, een noordenwind
mijn kind, die  zingt, die cirkels tekent
aan de hemel van je wonderlijk vervuld
voortdurend vragen naar de bron waaruit
je bent ontsprongen. Mijn kind, mijn kind,
zal je mij dragen, dragen naar de overkant,
mag ik dan vragen naar je hand, zoals
de wind die over kaarsen waait, zo lang
zo lang, tot  ik je vind, je vind mijn kind,
O, hou van me, hou van me, hou me in
je hand daar aan de overkant, en laat
me wonen in je ziel, je ziel daar aan de
overkant. Er waait een wind daar aan
de overkant, hij waait mijn haren , hij
danst mijn hart in snaren, al die jaren
aan de overkant  mijn kind. O zal ik je
in steen bewaren, een steen zo warm  zo
zwaar hier in mijn armen, zal ik je
verwarmen?  Er waait een wind die over
waait, mijn handen worden koud, mijn
kind, je hebt mij zo bemind en je bemint,
bemint mij nog mijn kind, zoals een wind
die over waait, die over deze kaarsen waait.
Tussen tralies op de oever loopt het over,
over van de muizenissen in mijn hoofd,
tussen tralies op de oevers loopt het licht
over een bed  van spiegelingen, laat ons
zingen kind, zingen, als de wind van
onvervuld verlangen kind, zolang ik
je niet vind zal ik met jou zingen kind,
met jou zingen tot de nacht zijn mantel
keert, mijn mantel overgeeft aan licht
verlangen, zoals de wind die over deze
kaarsen waait, deze drie kaarsen die
golvend licht verspreiden in de kamers
van mijn huis dat ook het jouwe is en
waarin de ramen door hun kieren de
regen laten tikken, tikken tot het lijkt
alsof de druppels mij verstikken, prikken
als de naald waarmee ik je lichaam
in duisternis verzinken liet. O, de wind,
er waait een wind, een wind die over
oevers waait, zoals de kaarsen die nu
voor me staan en waarover ik heel
zacht mijn handen strelen laat, als
wind waait over marmer, zoals golven
over zand, herinneringen die zich
te rusten leggen in mijn waterbed. Ik
wil met jou de liefde zingen, liefde
die niet overgaat, nooit slaapt, een
oeverloos verlangend vloeien zijn. En
nu, nu kijk ik, ik kijk naar jou, ik kijk
je ogen aan, en ze bewogen , ik raak ze
aan en wordt bewogen, ze knipperden
als sterren die strepen slepen in deze
zinderende zomernacht,  zoals een
wind waar handen over lopen, en
overlopend bevind ik me plots aan de
overkant, als kaarsen, opgebrand,
en zie mijn mantel, daar, daar,
uitgespreid, bedekkend, verlaten
in het gras, het gras dat wuift van
ver, ver over de muur daar aan die
overkant, en hier, hier vind ik, verbind
ik, vind ik, vind je hand, en kom, kom
in open Liefde, naakt, onthuld, vervuld,
dichter, dicht, dicht bij jou, in jou, met
jou, dicht, dicht van jou, over jou en word,
ik  word , ik ben, ben, en voel je onschuld,
nu, en nu mijn kind, vergeef je mij, hier,
tussen drie kaarsen, vergeef je mij, ik was
verblind.

(afbeelding: Lennart Nilsson)

Sterven

Sterven is een beetje zwerven tussen  een eerste
en een laatste adem. Toen ik je lippen zocht
waarop je stem een zucht werd hoorde ik de
zee, oude verhalen spoelden aan als handen
die zich openvouwden over stranden waarop
kinderen liepen, af en aan om al die weelde
te ontvangen. En zij kwamen wonen in het
huis dat uit je armen groeide, schep na schep,
tot het zweet over je voorhoofd liep. Sterven
is een beetje zwerven tussen een eerste en een
laatste adem, een twijfelend bewegen, heen
en weer, een eb en vloed van geven en van
nemen.  Toen ik je ogen zocht zag ik de zon
weerkaatst die ongemerkt een regendruppel
liet verdampen tot een wolkje dat zich zacht
over je lichaam legde als een mantel, als om
je te beschermen, in te dekken voor deze verre
hemelreis. Sterven is een beetje zwerven tussen
een eerste en een laatste adem, een brug die
oevers van herinneringen verbindt met wat
nog ongewis ligt, ver en onbekend. Toen ik
je handen zocht zag ik een wuiven als een
wind door vleugels aangewakkerd , zich zacht
over jouw lippen boog en tot verstilling bracht.
Sterven is een beetje zwerven tussen een eerste
en een laatste adem, een eerste en een laatste
steen, tussen jou en tussen mij en over alles heen.