De Oude School

De grote oorlog van het spreken heeft steeds hetzelfde, vaste patroon.

Je begint als soldaat en je promoveert met zekerheid tot bevelhebber. Je hoeft er zelfs niet voor naar school. Ik kan het weten. Ik heb beide stadia bereikt zonder ooit één examen te moeten afleggen. De keerzijde van de medaille is dat je altijd beide tegelijk bent. Het is eigen aan de maatschappij. Altijd is er een trapje hoger en een trapje lager. Zelfs op het laagste trapje kan je nog een tik uitdelen, en op het hoogste kan je ook nog op je donder krijgen. Het is een hiërarchie die bijna alomtegenwoordig is, die bijna alles doordrenkt. Bijna. Want ergens diep verborgen, onzichtbaar voor gelijk welke microscoop, door geen enkele techniek te vatten blijft er altijd nog wat achter. Je kan het niet benoemen, maar je voelt dat het er is.  Bij de één al wat sterker dan bij een ander. De grote oorlog is immers niet voor iedereen even groot. Het is een niet te temmen haardje van verzet. Een eeuwig vlammetje dat geen zuurstof nodig heeft. Laten we het noemen: de onbekende soldaat. En ook dat kan ik weten. Ik spreek er regelmatig mee. En dat gebeurt in kleine oorlogstaal. Niet in woorden te vangen.

Ik ontmoette de onbekende soldaat voor het eerst in het tweede studiejaar van de lagere school. Gemeentelijk jongensonderwijs. Nu is het een cultureel centrum en openbare bibliotheek. Boven de ingangspoort verwijst de naam nog naar het verleden: “d’Oude School”.  Aan de buitenkant van het gebouw is weinig veranderd. De gevel is opnieuw gevoegd en gezandstraald (in mijn herinnering zag ik een grijs gebouw) en  een verlicht bord met de naam van het sponsorende biermerk verraadt een nieuwe functie. Vanuit de verte, voor wie hier nooit is geweest, zou je denken: een grote boerderij. Ook de speelplaats ligt er nog. De speelplaats… verdriet en vreugde. Wat ons belette te ontsnappen is weggenomen. Maar er was ook een overdekte speelplaats binnen. Je kon er tot in de nok van het dak kijken. Vanuit mijn standpunt toen een enorme ruimte. En achteraan links de donkere gang naar drie klaslokalen. Aan de gangwanden taferelen uit de geschiedenis van de dierenwereld. Donkergroen. Soms bekroop me het gevoel dat ze tot leven kwamen. Ik kon niet snel genoeg in het klaslokaal zijn. Houten banken, griffel met lei, inktpot, “balpen” verboden. Stookoliekachel achteraan. Drie lokalen met telkens twee studiejaren, ieder met één meester. Vooraan het eerste en tweede studiejaar, achteraan het vijfde en het zesde. Daar zetelde de hoofdonderwijzer. De hoofdmeester. Het middenschip voorbehouden voor het derde en het vierde. De leeftijd en graad van de meesters was recht evenredig met de plaats van het klaslokaal. Wie in het eerste lokaal thuishoorde keek vol ontzag naar de rij die statig voortschreed naar die laatste deur in de verte. Het eindstation.

Zoals je ziet: de grote oorlog van het spreken heeft steeds hetzelfde, vaste patroon.

 Het was uit de nok van die overdekte speelplaats dat ik plots een aantrekkingskracht  voelde. De speeltijd was voorbij, en vooraleer het treintje naar de klaslokalen kon vertrekken, moesten we natuurlijk in mooie rijtjes, twee aan twee staan opgesteld. En toen was er dus die onweerstaanbare drang die mijn ogen naar boven richtte. Niet recht omhoog, wat schuin in de rechterbovenhoek van het dak. Daar ergens. Op dat moment heb je als kind geen flauw idee wat er gebeurt, je denkt niet, je voelt. Pas vele jaren later kan je het in woorden proberen te omschrijven. Je benoemt het, en eigenlijk ontneem je zo het mysterie zijn glans. Want dat was het wel. Mysterie. Oorspronkelijk betekent dat woord “degene die geïnitieerd is”, “met gesloten ogen en lippen”, omdat enkel geïnitieerden de geheime en heilige rituelen mochten zien. Wat een vreugde, wat een liefdevolle warmte waarin ik me welkom voelde. Een uitnodiging waaraan ik niet kon weerstaan, zonder iets terug te moeten geven. Zo overstromend dat het lijkt alsof je je bewustzijn verliest. Tijd verdwijnt. Seconden, uren, dagen, jaren, een eeuwigheid, er bestaat geen onderscheid meer. In gesprek met de onbekende soldaat. Gedragen zonder woorden. Als een poortwachter van de moederschoot leidt hij je binnen in iets wat groter is dan buiten, je kan er zwemmen zonder water in een oceaan van gewichtloosheid, je drijft altijd.
Een oude legende vertelt over een monnik die de abdij verliet voor een middagwandeling, en toen hij terugkeerde herkende hij niemand meer. Stomverbaasd moest hij vaststellen dat drie eeuwen verlopen waren, hoewel hijzelf er zeker van was slechts een korte wandeling te hebben gemaakt.
Toen voelde ik ook geen zwaartekracht meer, ik zweefde in een onbekende ruimte, sneller dan het licht leek het wel, zonder te weten waar de poort was waarlangs ik binnen was gekomen. Ik kan me nu nog steeds niet herinneren wanneer en hoe ik de weg terugvond, in het rijtje, het treintje van mijn klasgenootjes. Ben ik al wel teruggekeerd?

De kleine oorlogstaal kent geen woorden, kent geen vast patroon, er is geen patroon.

 In de volgende jaren waren er nog enkele “voorvalletjes”, drie of vier, maar nooit meer op school, enkel in familieverband. En nooit meer hetzelfde. Ik stuikte dan in elkaar als een lichaam zonder geraamte, werd een pop, tot grote paniek van mijn ouders. Ik zag nog wel, maar nooit was er de onbekende soldaat die me uitnodigde en de poort opende om in het mysterie te duiken. Dat duurde net zolang tot ik voor de dokter werd gebracht, en telkens veerde ik dan onmiddellijk recht, herrees uit het dodenrijk, als een moderne Lazarus. Tegenwoordig zal er wel een naam voor bestaan, ongetwijfeld. En zeer waarschijnlijk ook een geneesmiddel, ongetwijfeld. Ik hou het op: verlangen. Als je eenmaal geproefd hebt van het paradijs wil je terug, zo simpel is het. Eenmaal de lagere school voorbij, verdween ook de onbekende soldaat. Niet helemaal. We praten nog regelmatig, maar zijn stem wordt steeds maar zachter, steeds verstilder, van steeds verder.

De grote oorlog van het spreken kan verstikkend zijn.

Het is nacht, ik woel in bed, ik kan niet slapen. Wat rondwandelen dan maar, hapje eten, naar herhalingen kijken op televisie. Nog klaarwakker. Even naar buiten. Het is niet echt donker. Volle maan doet alles baden in diffuus koud licht. Yin en Yang. Dag en nacht. Licht en donker. De grote theorieën. Boekenrekken vol. Fortuinen hebben ze me gekost. Nou ja, toch een hoop geld. Of ik er slimmer van geworden ben? Veel lezen is geen garantie voor wijsheid. Ik hou vooral van poëzie, dicht-kunst. Met minder woorden meer zeggen. Opnieuw een poging maar tussen de lakens. Als ik mijn ogen opnieuw open schijnt het zonlicht door de ramen. Maar uitgerust voel ik me niet.

 De grote oorlog van het spreken geeft de schijn veraf te zijn.

(meer: “De Grote Oorlog” ~ “Hemels Vuur” )

De Grote Oorlog

Ik kan maar beter mezelf zijn.

Ik denk het, maar ik zeg het  niet. Therapie. Je weet maar nooit tot welke diepten het gesprek zou kunnen zinken. Ik hou van duiken, niet van zwemmen. En gesprekken als deze… Er komt een ogenblik dat het ene gesprek niet meer van het andere te onderscheiden valt. Herkauwen van hetzelfde. Je merkt zelfs niet meer dat er aan de overkant alweer iemand anders zit.  Maar je betaalt altijd een prijs. Hoe hoger die is, hoe groter de winstkans. Dat beweert iemand die het kan weten. Ik had haar om raad gevraagd toen de zoveelste sessie weer dreigde uit te lopen op een nederlaag. Ik wil winst. En dus zit ik hier. Voor nieuwe ogen, nieuwe oren. Ik houd het voorlopig bij een nauwkeurig ruimteonderzoek. De stilte is soms loodzwaar, het lijkt dan vaak een uitputtingsslag. Een oorlog die zwijgend gevoerd wordt. Meer tactiek dan gevecht. Meer vorm dan inhoud. De grote oorlog van het spreken.

Dus tja: je weet maar nooit. En hoewel ik graag onder water vertoef, ben ik nooit een goede zwemmer geweest. Het zelfs lang nooit gekund. Angst. Buiten het zwembad heb ik graag vaste grond onder de voet. Zekerheid. Zwembadmuren bieden dat. Het blijft overzichtelijk. Geen verrassingen. Afgebakend terrein. Alles ligt mooi vast, tot op de centimeter. Enkel de chloor kan me soms parten spelen. Dat zwembadgeurtje, je ruikt het al nog voor je binnen bent. Het went. Zee is anders. Mooi, indrukwekkend, ruikt aantrekkelijk, bevrijdend. Dat wel. Maar het blijft steeds voorzichtig aftasten, voetje voor voetje. Valkuilen zijn onzichtbaar. De zandbodem kan soms verraderlijk zijn.  Het water net niet doorzichtig genoeg om alle angst weg te nemen. De draagkracht niet vinden. En dan zijn er nog de golven natuurlijk. Wat het aftasten nog moeilijker maakt. Golven hebben geen vaste maat. Gelukkig heb ik mijn lengte mee, dus dat scheelt. Ik kan wat dieper dan anderen, kan wat verder mee, maar het redderssloepje blijft jammerlijk buiten bereik. Met bewondering en afgunst de anderen zien die er wel in slagen de sloeprand te bereiken en er zegevierend de armen over slaan, blijven hangen en het hoofd triomfantelijk richten naar de achterblijvers. Hun blik waarin ik lees: waar blijf je? En toch is er die onweerstaanbare aantrekkingskracht van water. Het vloeit onophoudelijk in mijn hoofd, mijn hele lijf. Ik zwem voortdurend in mezelf. Zonder angst.

“Ik kan maar beter mezelf zijn.”

Tot mijn eigen verbazing hoor ik de woorden die zich van mijn lippen losmaken en zich naar het slagveld begeven. Ze blijken geen weerstand te ontmoeten. Stilte. Geen antwoord. Geen zwembad. Zee. Ze zinken. Dieper en dieper. Voorspelbaar.

Ik heb absoluut geen idee wie ik ben.
Ik denk het, maar ik zeg het niet. Dat ik nog op geboorte wacht. Niemand die het geloven wil. Vroeger niet, nu niet.

Je zou het me niet aangeven, want ik zweef ergens tussen vijftig en zestig. Meer jaren achter dan voor me. Zou ik beter moeten weten? Ik blijf eerlijk met mezelf, zoveel heb ik al geleerd. Duurt het langst, wordt gezegd. Een geruststelling. De film wordt steeds langer. Steeds vaker stel ik me de aftiteling voor. De regisseur is alvast een certitude. Met hem de hoofdacteur. Figuranten komen en gaan. Over de producent heerst de grootste onduidelijkheid. Wachten.

Voor ik er erg in heb blijkt het plots tijd te zijn. Gesprek voorbij. Ik mag beschikken. Ik sluit de deur achter me. Wat een bevrijdend gevoel. Iets afsluiten. De wapens kunnen neerleggen, zelfs achterlaten. Het strijdtoneel de rug toekeren en met verlof mogen. De grote oorlog van het spreken is voorbij. Voor nu.

Onderweg nog wat stilte herkauwen.

Een beeld. Ik zie voor mij de turnleraar verschijnen.
Middelbare school. Nieuwe school. Nog in aanbouw, en wij waren de eerste leerlingen om haar te bevolken. Dus geen last van laatstejaars die zich verheugen in een nieuwe lichting verse slachtoffertjes, nee: wij waren steeds de oudste. Soldaten van het eerste leger. En de legerleiding zelf nog groen. Enkele klassen en een turnzaal, een refter gedeeld door rekruten zowel als hun oversten, een hoofdkwartier, meer niet, de rest enkel bouwwerf. Iedere dag meer school zien groeien, het had wel wat. Het zwembad, onder de turnzaal, pas afgewerkt tijdens het laatste studiejaar, dat viel mee. Maar uiteindelijk was er geen ontsnappen aan. Inhuldiging met veel gedruis en de eerste zwemles, en daar stond ik dan, na vijf jaar image building, het uur van de waarheid. Het zwembad. Niet kunnen zwemmen. Angst. Maar de troepen stonden te trappelen. Ik voelde ook wel iets, ik kon me plots perfect voorstellen wat soldaten tot desertie drijft. Pas jaren later zou ik me in een zwembad veilig en geborgen voelen, maar toen daverden de grondvesten van mijn zorgvuldig opgebouwde vesting.  
En de turnleraar verschijnt.
Startschot. Stormloop naar het diepste der diepten. Alleen ik bleef achter, en tot mijn opluchting: ik was niet de enige. Er was één lotgenoot! De turnleraar wuifde doorheen het gordijn van opspattende water aan de overkant. Na wat gebarentaal over en weer begrepen we dat hij ons toestond geen deel te nemen aan de gevechten in de frontlinie. Wij mochten achterblijven in de achterlinie, de ondiepte. En dat bleef een tijdje zo. Maar turnleraars blijven leraars. Zij kunnen niet weerstaan aan  die onweerstaanbare drang om aan te leren. Dus daar was het dan. Op een dag, toen de hoofdmacht zich al had teruggetrokken in de kleedkamers, tikte hij me op de schouders. Eén tik, maar ik wist onmiddellijk wat die ene tik betekende: meekomen naar de frontlinie. Je weet als soldaat dat er niet te ontsnappen valt aan die oorlogswet: eenmaal komt het ogenblik dat je de vijand in het wit van de ogen moet kijken. Iedereen gelijk. Er wordt op je ingepraat dat ook jij je schuld aan het vaderland moet inlossen. Je durft niet denken aan de gevolgen van bevelen te negeren. Overlevingsinstinct haal het op angst  De beste manier om angst te overwinnen is jezelf “smijten”, pas geboren baby’s zwemmen ook, onmiddellijk, klonk het. Maar het voelde allesbehalve als een geruststelling. Ik wacht nog op geboorte, weet je nog… Dus noodgedwongen volgde ik hem gewillig naar de overkant, de diepte gaapte me aan als een zwart gat. Wat hij met “jezelf smijten” bedoelde werd me onmiddellijk pijnlijk duidelijk: een fikse duw en daar tuimelde ik over de rand, de afgrond in. De afloop was zelfs voor hem een verrassing: ik zonk, dieper en dieper, tot mijn kin de bodem raakte. Een voltreffer. Hoewel je beter weet hap je naar lucht, maar die is jammer genoeg onvindbaar, paniek, water slikken, luchtbellen. En dan armen voelen die je boven helpen. Het was waarschijnlijk de enige keer dat de turnleraar met druipende outfit en zompende Nikes de les afsloot. Verbaasde gezichten van de hoofdmacht in de kleedkamers als we samen binnenkwamen, maar uitleg hoefde niet. Toch was het geen nederlaag, met mijn lotgenoot mocht ik vanaf toen de hoeder blijven van de achterlinie, de ondiepte. Men noemt het niet voor niets: het ploeterbad. En daarna afzwaaien. Mission accomplished.

Er zijn altijd wel achterpoortjes die ontsnapping bieden, dàt had ik wel geleerd. En inderdaad, ik kan maar beter mezelf zijn. En vindingrijk. Meester van de ondiepte.  Zéker in de grote oorlog van het spreken.

(meer: “De Oude School” ~ “Hemels Vuur”)

Speechless

Well there it is: I’m speechless, I watch my breath
and it is empty, imagine clouds desperately looking
for a sky to populate, or birds lacking support to
spread their wings and fly, I’m speechless, watching
the horizon as it has just swallowed my last word,
and with it all it had to offer, not being sure if there
will ever be a dawn to unfold whatever meaning was
still hidden in its womb, I am aborted, speechless,
even the memory has left together with the smell
that hand in hand accompanied this precious treasure,
it’s gone, and here I wonder whether it is time to go
to sleep and to surrender, to lower now this useless flag,
where are the eyes, where are the ears to spot, where
is the home to enter, what harbor is it that would
welcome this forgotten sail, where are the hands
to comfort, I am speechless, but suddenly I realize
that there is room to fill, and unannounced one tear
touches my lips, and then another, and another still,
until I am no longer able to resist, I am flooded, for
every breath I take there is a wave, and the more I
breathe the more the waves keep rolling, on and on,
I become an ocean and I wake up to a new horizon,
and there it is: I’m speechless at this sight of nearing
fleets, a multitude of sails and waving flags are coloring
the dawn, then I remember, by letting go my last word
thus became the key to unlock what beyond meaning
is the keeper of the mystery, O yes, there is a deeper
womb, it is speechless, but it breathes, it is the silent
birthplace of eternity.

Uitverkoren

Een gouden herfstblad heeft de boom verlaten,
het dwarrelt neer, het streelt mijn hoofd en even
blijft het daar gevangen hangen, alsof mijn haren
grijpgrage handen zijn geworden, ik glimlach want
ik weet wel beter, toch lijkt het dat ik uitverkoren ben,
zeker wanneer de nerven door een late zonnestraal
verlicht tot leven komen, kloppende aders worden,
ik glimlach nogmaals want ik weet wel beter, tot een
plotse windstoot dit blad laat verder drijven, het is
misschien op zoek naar een nieuw hoofd om te
bewonen, een ander dan om mijn illusie aan te
schenken, maar uiteindelijk zal het de aarde vinden
om daar thuis te komen, enkel mijn waanbeeld zal nog
overblijven tot de lente het nieuw leven inblaast
en duizendvoudig bloeit in uitverkoren bladerdek.

Word

“In the beginning was the Word…” 
John, 1, 1
“When you see ‘the abomination that causes
desolation’ standing where it does not belong
– let the reader understand- flee to the mountains.”
Mark, 13, 14
                             

                                
Some words are leaves, they grow, they whither,
then they fall to merge with soil only to feed
again what by some long forgotten wind was
destined at first sight to vanish and never to
return,
some words are mountain winds, they
travel, they vaporize
and merge with clouds,
and when the oceans call,
they become rain
to feed the rolling waves that
with a mighty
roar deliver treasure to the waiting
reapers on
forgotten shores, some words are
tears, they
flow, they testify, they merge with
silence only
to feed the hunger of a deeper
craving, they are
the vessels of forgotten fleets
that in forgotten
ports wait for the wingmen to
return their due,
some words are windows opening, while others
then are closing doors, 
some are the swords
which
on forgotten battlefields are left, their
shimmering blades
making the rising sun turn
red, but most of all,
whatever they may be,
all words eventually shall by 
The Writer be
reclaimed and then each one of them
shall have
to take the stand, each one of them
shall be
confronted with the verdict of its Maker,
stripped from all  meaning, naked, eye to Eye,
as well remembered  as forgotten ones are heard,
and Paradise shall be the reward for those  believing
in the final revelation of
 the Promised Word.

(picture: I Ching > “Change”)