Vruchtbaar

WP_20150903_043
Het regende zachtjes, zo
zachtjes, je kon de druppels
tellen, ze parelden op mijn
handen, schitterden regenbogen
door mijn tranen heen, de wind
waaide herinneringen over de
lavendel en de kiezels, tussen
de grassprieten herkende ik je
geur, zoet, zand, fijn
gemalen spiegels waarin ik
de verhalen lezen kan, de beelden
op het netvlies, gebrand en
geblazen, je kon niet meer,
niet meer geven, de frontlijn
vastgelegd voor eeuwig, het
bloed gestold vermengd met
klei en leem, dit is het dan,
het regent zachtjes, zo zachtjes,
en terwijl ik de druppels tel
priemt plots een zonnestraal doorheen
het wolkendek, en vogel vliegt me aan,
een vleugelslag, een nauwelijks merkbaar
wiegen, op mijn huid rusten nog steeds je
parels, dit gaat nooit over, je schoot de
bedding die zo vruchtbaar leven
schonk, en schenkt. Klokslag.
Ik hou van je.

(Parking Schulensmeer, Linkhout, zondag 6 september 2015, 15:30)

Ps: Dit gedicht schreef ik vandaag, maar verwoordt het gevoel dat ik eergisteren had toen ik, op het vredig groene kerkhof van Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek, een bezoek bracht aan Else, moeder van mijn kinderen. Ik mijmerde er wat, voelde de tranen, het verdriet, de schuld, de onmacht, maar ook een vreemd soort warmte, ik noem het “stervenswarmte”, dat moment van overgang, alsof er een Engel met zijn brede vleugels zich over het lichaam legt, en over alle aanwezigen, een beschermende luchtbel buiten de Tijd, waar Leven en Dood samenkomen in een eeuwig moment. Ik plaatste mijn aansteker in het lantarentje op haar graf, met de afbeelding die zo sprekend op haar lijkt ❤

Fluisterverhaal

Circle 085

Dat ik de sterren liefheb of de zon
is geen geheim, dat ik de maan bemin,
de schemering, het ochtendgloren,
de zachte wind over de golven:
ik strooi dit alles uit in alle talen,
maar jouw verhaal fluister ik slechts,
het is gedeelde vreugde, een diepe bron
waaruit het water stroomt waarin wij
steeds opnieuw geboren worden.

Thomasevangelie

Thomas                 Thomas1

in cursief mijn poëtisch ervaren van  logion 1 tot 13

1
En hij zei:
Iedereen die de betekenis van deze woorden vindt,
zal de dood niet smaken.

Ik heb woorden gevonden
die trilden als muziek,
die speelden met de Liefde
zodat mijn ogen zich openden
en ik het Licht voelde
zodat ik door de poort kon gaan.

2
Jezus zei : Laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken, totdat hij vindt, en als hij vindt zal hij verontrust worden, en als hij verontrust is zal hij zich verwonderen
en hij zal heersen over het Al.

En voorbij de poort
kon ik de de slaap niet vinden
en sprak de angst mij aan,
toen streek een vlinder neer
en hoorde ik een wiegelied,
ik werd een wonder.

3
Jezus zei : Als zij die jullie leiden zeggen : Zie, het koninkrijk is in de hemel, dan zullen de vogels des hemels jullie voor zijn. Als zij zeggen : Het is in de zee, dan zullen de vissen jullie voor zijn. Maar het koninkrijk is binnenin jullie en buiten jullie. Als jullie jezelf kennen, zullen jullie ook gekend worden en zullen jullie weten dat jullie zonen van de levende Vader zijn. Maar als jullie jezelf niet kennen, dan zullen jullie in armoede zijn ; dan zijn jullie de armoede.

En ik hoor een stem,
in vogels, in vliegen,
in het water, langs de weg,
in cijfers,
telkens weer hetzelfde antwoord:
vertrouw op mij, wees niet blind
en wandel op je vleugels van verlangen
zoals de zee steeds terugkeert
zo kom ik naar je toe, en jij naar mij.

4
Jezus zei : Een oude van dagen zal niet dralen om een kind van zeven dagen oud te vragen over de plaats van het leven ; en hij zal leven. Want vele eersten zullen de laatsten worden en zij zullen tot één en hetzelfde worden.

Dagelijks drink ik van het leven, mijn moeder,
zo zuig ik adem in mijn lichaam
om onsterfelijk te worden aan je lippen.

5
Jezus zei : Ken dat wat voor je aangezicht is en wat voor je verborgen is zal je geopenbaard worden. Want er is niets verborgen dat niet openbaar zal worden.

Voor mij versteend liggen de doden,
zacht fluisterend stellen ze me gerust:
jouw steen heeft ons beroerd.

6
Zijn leerlingen vroegen hem en zeiden tot hem : Wilt u dat wij vasten ? En hoe zullen we bidden en aalmoezen geven ? En welke voorschriften over het eten moeten wij in acht nemen ? Jezus zei : Lieg niet en doe niet wat je verfoeit, want voor de hemel zijn alle dingen openbaar. Want er is niets verborgen dat niet openbaar zal worden, en er is niets bedekt dat niet zal worden onthuld.

Gisteren schreef ik woorden
om je te behagen,
vandaag voel ik de wind over mijn huid
en wordt zoals het strand gerimpeld,
overspoeld, onmisbaar voor het water,
mijn woord een zandkorrel geworden.

7
Jezus zei : Gelukzalig is de leeuw die door de mens wordt gegeten, en de leeuw zal mens worden. En vervloekt is de mens die door de leeuw wordt gegeten, en de mens zal leeuw worden.

En als ik van het water drink dan word ik zee,
tracht ik de golven te trotseren,
bereik ik nooit de overkant.

8
En hij zei : De mens is als een wijze visser, die zijn net uitwierp in de zee. Hij haalde het net op uit de zee, vol met kleine vissen. Tussen hen vond hij een grote mooie vis. De wijze visser wierp alle kleine vissen terug in zee en koos zonder moeite de grote vis. Wie oren heeft om te horen, die hore.

Velen heb ik opgeschreven en ontmoet,
slechts jij gaf altijd antwoord,
verenigd aanschouwen wij de sterren.

9
Jezus zei : Zie, de zaaier ging uit. Hij vulde zijn hand met zaden en wierp. Sommige vielen op de weg. De vogels kwamen en verzamelden ze. Andere vielen op de rots en schoten geen wortel in de aarde en brachten geen aren voort. En andere vielen tussen de doornen. Deze verstikten het zaad en de wormen aten het op. En andere vielen in goede aarde en brachten goede vruchten voort. Het bracht zestig per maat en honderdtwintig per maat op.

Voor mij ligt de weg beschreven
maar ik zie de wolken niet, de sterren noch de zon,
dan vliegt een vogel op en raakt me aan met lichte vleugelslag
en daar ligt mijn bestemming.

10
Jezus zei : Ik heb vuur op de wereld geworpen en zie, ik waak erover tot het opvlamt.

Ik geef je deze woorden, uitgezet als bakens voor je ogen.

11
Jezus zei : Deze hemel zal voorbijgaan en die daarboven is, zal voorbijaan. En de doden zijn niet levend en de levenden zullen niet sterven. In de dagen dat jullie de dood verslonden maakten jullie haar levend ; als jullie tot in het licht komen, wat doen jullie dan ? Op de dag dat jullie één waren, werden jullie twee : maar als jullie twee geworden zijn, wat zullen jullie dan doen ?

Ik volg een tak gedragen door de stroom,
als hij niet de oever raakt zal hij de zee bereiken,
luisterend naar dit lied word ik een wolk,
gedreven, onuitputtelijk.

12
De leerlingen zeiden tot Jezus : Wij weten dat u van ons zult heengaan. Wie is het die groot over ons zal zijn ? Jezus zei tegen hen : Waar jullie nu gekomen zijn, zullen jullie naar Jacobus de Rechtvaardige gaan, omwille van wie hemel en aarde zijn ontstaan.

Vandaag wil ik naast je lopen,
onze voeten
in hetzelfde zand,
onze armen
verstrengeld,
onze hoofden
als wolken
oplossend.

13
Jezus zei tegen zijn leerlingen : Vergelijk mij eens en zeg me op wie ik lijk. Simon Petrus zei tegen hem : U bent als een rechtvaardige engel. Mattheüs zei tegen hem : U bent als een wijze filosoof. Thomas zei tegen hem : Meester, mijn mond zal mij volstrekt niet toelaten te zeggen op wie u lijkt. Jezus zei : Jouw meester ben ik niet, omdat jij gedronken hebt ; jij bent bedwelmd door de sprankelende bron van levend water, die ik opgedolven heb. En hij nam hem apart en trok zich terug en sprak drie woorden tegen hem. Toen Thomas echter weer bij zijn metgezellen terugkwam vroegen zij : Wat heeft Jezus tegen je gezegd ? Thomas zei tot hen : Als ik één van de woorden zeg die hij tegen mij sprak, zullen jullie stenen nemen en naar mij werpen ; en vuur zal uit de stenen komen en jullie verbranden.

Op zoek naar woorden om deze bloem een geur te geven
bleef ik tenslotte sprakeloos,
verlamd door haar betoverende lokroep,
beangstigd haar te breken.
De nacht ontving me
en ik droomde bloem te zijn,
klaar om het zonlicht te ontvangen.
Ik ontwaakte in een zee van vuur,
vertrok en vond, neigend naar de diepte,
een bloem
en verder langs het pad zover het oog kon reiken
duizend woorden om haar te beschrijven.

Bron

Toen ik het water zag wist ik geen blijf
met de tranen die maar bleven stromen,
een rivier naast de rivier,
alsof een nieuwe bron zomaar ontsprong,
verdriet dat lang in diepe kloven,
krochten en gewelven kronkelde
alsof het water dacht te zijn,
maar toen het plots naast de rivier
dan eindelijk tevoorschijn kwam
bleek het de adem van het leven zelf te zijn,
dat wonderbaarlijk altijd durend kloppen
van een dooraderend bestaan,
zonder begin en zonder einde
dit weten en dit water samen
zorgen voor een nooit vergeten.

Lourdes, februari 2010

Bezieling

Er is een Woord dat van bezieling spreekt,
het wordt gefluisterd en wie dan onbevangen
luistert naar wat door wind wordt ingeblazen
zal zich in gevouwen stilte zacht verbazen:
het spreekt niet van opstandigheid, het laat
de adem van het leven over zich de handen
leggen zoals golven over zand en die dan
glinsterend daarin de regenbogen laten
schitteren die horizon aan horizon verbinden,
het voelt als nooit tevoren, alsof een hemels
alfabet zich op het strand te rusten legt en daar
geduldig op jouw lezen wacht tot jij betekenis
blaast, zoals de wind die net nog van bezieling sprak.
Dit Woord, dit weten is een mantel en jouw dragen
zal verwarmen tot ver voorbij de eeuwigheid,
tot ver voorbij het hemels klinken van de stemmen
die nu aansporen tot wederwoord, O ja,
er is een Woord dat van bezieling spreekt,
het woord dat aan jouw lippen vraagt
het naar het Hart te dragen, het Woord
dat als een kind gekoesterd in de moederschoot
ontwaken zal wanneer jouw roeping dan
het spreken wordt waarop geboorte
het vervullend antwoord is.

(Egenhoven, Radio Maria, 28-10-2011)