My soul is ageless as a star, not
yet discovered, but present for
the matching eye, should you
one day then dig for gold and
find my heart, be gentle, before
you reach be sure, because once
opened it will travel at the speed
of light, and finally, when both
unite, this newborn constellation
will only be for you to recognize
Waarover wil je me vertellen?
Waarover ga je me vertellen?
Ik luister naar hoe je blijft vertellen
over gisteren, morgen, vandaag,
zelfs over Nu,
ach, vertel me liever over Liefde,
zoals die overloopt van Hartelijkheid, van grenzeloze stilte die zo vruchtbaar
is als helder water,
die ieder greintje medelijden met jezelf
doet smelten als voor de zon een sneeuwvlok
En toch, ik hoor hoe je vertelt
over morgen, gisteren, vandaag, zelfs over Nu,
wij kijken elkaar aan,
vinden we daar die Liefde?
Vinden we daar de fijnafstemming onzer Zielen?
Ach, ik hoor je praten over
morgen, gisteren, vandaag, zelfs over Nu,
ik hoor het niet,
ik voel het niet,
enkel de wind die tussen ons zijn weg zoekt,
die kan ik zien,
die kan ik voelen,
mijn huid die aan het trillen slaat,
hij brengt verhalen, O, die verhalen
die overlopen van de Hartelijkheid
die enkel in een ogenblik te vinden is
als je je ogen sluit.
Als je dorst hebt vergeet dan niet te drinken van het Heilig Water
en zoek het niet in de verre duistere brakke poelen
waar muren opgetrokken zijn om alle Licht te weren
Als je dorst hebt, en als nergens water te bespeuren valt,
als alle bomen zijn gedroogd door een verzengend Vuur
… als alle Liefde lijkt verdwenen en de nacht zo donker lijkt
dat zelfs voor het geoefend oog de weg schijnt opgelost in droog verlangen,
als enkel nog de angst schijnt recht te staan om je wild en kloppend hart te temmen, dan:
vergeet het Heilig Water niet
En zoek het niet in de verre duistere brakke poelen
waar muren opgetrokken zijn om alle Licht te weren
Vergeet niet dat je ooit geboren bent uit Liefde volle vonk om hier je Licht te laten schijnen,
en als je dan het lampje vindt dat vreugde van verlichting bracht in deze donkere nacht,
vergeet het heilig Water niet, O ja, drink toch van dat Heilig Water
dat blinden kan doen zien, de stommen vlot laat spreken en alle ogen, alle Harten opent,
je zal kijken in de Bron van Eeuwig Leven, ook al weet je niet waar het ontsprongen is
Vergeet niet dat ook jij geboren bent uit Liefde volle vonk
om hier je schitterend Licht te laten schijnen,
vergeet het Heilig Water niet dat allen hier verbindt,
dat allen hier de voeding biedt die elke nacht opnieuw weerstaat aan alle pijn,
vergeet het Heilig Water niet
Laten we samen gaan, laten we samen wandelen, samen onderweg
en drinken van dat Heilig Helend Water binnen handbereik,
één ogenblik volstaat om te verrijzen,
ook al weet je het niet
vergeet het Heilig Water niet,
want hoe, hoe denk je dan dat wij
hier, nu, de Liefde vinden en herkennen
die Liefde die alle duisternis weerstaat?
(gedicht afscheids- en dankviering 6de jaars Maria Assumptalyceum, 21 juni 2013)
The Whales are crying out,
O ~ the flocks, the flocks of
seagulls gather, while high
above the clouds are darkening
The Whales are crying out,
it is the rain and not the Sun
that’s driving them away from
their homeland in the Deep Blue
Sea
The Whales are crying out,
their songs echo the craving for
that long forgotten melody
from Stars only to dream about.
The whales are crying out
while I am walking all those
beaches that mingled with the
blood of ages, and I freeze
[O tune, O healing tune I need You]
The Whales are crying out,
but faintly through their pain,
they know one silent sunray
shall suffice to lit their eye,
remebrance of a distant echo,
that distant murmur of horizons dear
the echo of the Promised Land
that Paradise where all in tune
are One
Listen, Listen: that’s why
the Whales are crying out.
Zal ik je vragen om dit woord te dragen,
de letters één voor één in uiterste
voorzichtigheid over je lippen laten
vloeien, zoals golven over zand, waar ze
dan worden opgenomen en hun warmte
laten één worden met wat in zee was
opgeslagen, zal ik je vragen om dit woord
te dragen, het zo te laten drijven dat je
je geborgen voelt en veilig, zoals het schip
waarop ze werden uitgesproken, wetend
dat de haven wacht om thuis te komen,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
nog voor het zacht wordt uitgesproken,
tot het weerklank vindt, een klankbord,
zoals golven op het strand in zand, de
korrels in je hand die wegen zoeken,
kegels maken op het wateroppervlak,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
niet meer klagen, stilte wagen waarin
alles dan kan uitgesproken worden, o
zo dit wonder zich te laten openbaren,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
ik durf het bijna niet te vormen, het is
zo oud, het werd met mij geboren in
de zee, zal ik je vragen om dit woord
te dragen, ben je er om mij dan daarin
verder te vervoeren, want het voelt
alsof de grond verdwijnt, alsof ik weg
zal zinken, zo verdrinken, zal ik, zal ik
je vragen om dit woord te dragen zoals
dit papier waaraan ik dit verlangen
toevertrouw, zal ik je vragen, vragen
om mij niet te laten vallen, achter te
laten tussen al dit wit? Zal ik je vragen
samen met mij dit te wagen, zal ik je
vragen of het goed is, of het veilig is
de haven te verlaten, zeg het mij, ik ben
de taal vergeten om het uit te spreken,
er resten enkel tranen en jouw ogen om
de mijne te ontvangen, zal ik het vragen
en als ik het dan vraag zal ik dan nog
bestaan, of zal ik verder gaan, zal je dit
woord dan meenemen, zodat het aan de
horizon verdwijnt, of zal je met jouw
armen reiken naar de mijne, zoals die
korrel in het zand, daar door de golven
neergelegd om nooit meer te verdwalen,
en daarin geschreven en gebrand jouw
woord dat ik volmondig op de tong nam
om het met jou te delen, o, zal ik het
vragen, zal ik het vragen, dat je mij dan,
al is het maar voor even draagt, tot onze
lippen elkaar net niet raken en toch
verenigd zijn?
Intrigerend kortverhaal van Rober Musil (1880-1942) vertaling: M. Coutinho > hoe de observatie van het kleine een confronterend vergrootglas wordt…
Het vliegenpapier Tangle-foot is ongeveer zesendertig centimeter lang en éénentwintig centimeter breed; het is bestreken met gele, vergiftigde lijm en komt uit Canada. Als een vlieg erop neerstrijkt — niet bijzonder gretig, meer uit conventie, omdat er al zoveel anderen zijn —, plakt hij eerst alleen met de onderste, omgebogen geledingen van al zijn pootjes eraan vast. Een heel lichte, zonderlinge gewaarwording, alsof wij in het donker lopen en met naakte voeten op iets trappen dat nog niets anders is dan een weke, warme, onoverzichtelijke weerstand en reeds iets waarin geleidelijk het gruwelijk menselijke binnenvloeit, het herkend worden als een hand, die daar op de een of andere manier ligt en ons met vijf steeds duidelijker wordende vingers vasthoudt. Daar staan ze allemaal geforceerd rechtop, als tabeslijders (*) die niets willen laten merken, of als wrakke oude soldaten (en een tikje o-benig, als wanneer je op een steile bergkam staat). Ze laten zich niet gaan en verzamelen kracht en bezinning. Enkele seconden later zijn ze tot een besluit gekomen en beginnen uit alle macht te gonzen en op te vliegen. Ze gaan met deze woeste handeling zo lang door tot uitputting hen tot ophouden dwingt. Er volgt een adempauze en een nieuwe poging. Maar de tussenpozen worden steeds langer. Ze staan daar en ik voel hoe radeloos ze zijn. Van onderen stijgen verwarrende geuren op. Als een kleine hamer tast hun tong ernaar. Hun kop is bruin en harig, als uit een kokosnoot gemaakt; als menselijke negeridolen. Ze buigen zich naar voren en terug op hun stevig vastgelijmde pootjes, buigen door de knieën en zetten zich af, zoals mensen die op elke manier proberen een te zware last te verzetten; tragischer dan arbeiders het doen, waarachtiger in de sportieve expressie van uiterste inspanning dan Laokoön (**). En dan komt het steeds even eigenaardige ogenblik waarin de behoefte van een seconde uit het heden zegeviert over alle machtige duurzame gevoelens van het leven. Dat is het ogenblik waarop een klauteraar om de pijn in zijn vingers vrijwillig de greep van zijn hand opent, waarop een verdwaalde in de sneeuw gaat liggen als een kind, waarop een achtervolgde met stekende pijn in zijn zijde stilstaat. Ze bewaren niet meer uit alle macht de afstand, ze zakken wat in elkaar en zijn op dat ogenblik heel menselijk. Onmiddellijk raken ze op een nieuwe plek vast, hogerop aan een poot of aan hun achterlijf of aan het uiteinde van een vleugel. Als zij hun geestelijke uitputting hebben overwonnen en na een korte poos de strijd voor hun leven weer opnemen, zijn ze al in een ongunstiger positie verankerd, en hun bewegingen worden onnatuurlijk. Dan liggen ze met gestrekte achterpoten op hun ellebogen opgericht en proberen zich af te zetten. Of ze zitten op de grond, steigerend, met uitgestrekte armen, als vrouwen die tevergeefs trachten hun handen uit de vuisten van een man te wringen. Of ze liggen op hun buik, hoofd en armen naar voren, als gestruikeld, en houden alleen nog hun gezicht omhoog. Steeds echter is de vijand slechts passief en haalt slechts winst uit hun wanhopige, verwarde ogenblikken. Iets onbestemds trekt hen omlaag. Zo langzaam, dat je het nauwelijks kunt volgen, en meestal met tot slot een plotselinge versnelling, als de laatste innerlijke inzinking hen overvalt. Dan laten ze zich plotseling vallen, naar voren op hun gezicht, over hun poten heen; of zijwaarts, met uitgestrekte poten; vaak ook op zij, achterwaarts roeiend met hun poten. Zo liggen ze daar. Als neergestorte vliegtuigen die met één vleugel de lucht in steken. Of als gekrepeerde paarden. Of met onbeschrijflijke gebaren van wanhoop. Of als slapers. Nog de volgende dag ontwaakt er soms een, tast een paar ogenblikken met een poot of gonst met een vleugel. Soms rimpelt zo ’n beweging over het hele veld, dan zakken ze allemaal nog wat dieper weg in hun dood. En slechts aan de zijkant van het lijf, in de buurt waar de poten beginnen, hebben ze het een of andere nietige, glinsterende orgaan, dat leeft nog lang. Het gaat open en dicht, je kan het zonder vergrootglas niet aanwijzen, het lijkt net een heel klein mensenoog, dat onophoudelijk open- en dichtgaat.
(*) tabes: ruggenmergtering (**) Laokoön: deze priester waarschuwde de Trojanen voor het houten paard dat de Grieken achterlieten. Met zijn beide zoontjes werd hij door twee monsterachtige slangen gewurgd; beroemde beeldengroep uit de oudheid, nu in het Vaticaans museum bewaard: