Tagarchief: poort

Poort

Caridad 027

Gedragen door een laatste zonnestraal
sluit zachtjes en geruisloos nauwelijks
merkbaar heel nabij de oude poort
en wandel ik naar morgen op een wolk
terwijl ik hunker naar de horizon en ik
bespeur zoals een schip dat aan de einder
langzaam groeit de nieuwe poort van het
beloofde land die zich zoals een bloem
ontvouwt en bloeit om mij met open armen
te ontvangen en met de wind laat ik me
drijven over de zeeën en het zand onder
de sterren boven de meeuwen en de duinen
en luister als een kind naar de verhalen van
de overkant waarin ik steeds een antwoord
vind. Beter dan dat ik tranen laat over de regen
die me zou kunnen overspoelen ben ik gelukkig
nu zoals een wolk en stel geen vragen

Asymptoot

 

En dit is wat ik zag
toen ik verdwaalde in het land van de herinnering,
toen ik de bomen niet herkende die de macht en
pracht van al hun stammen voor mijn ogen openden
tot statige pilaren van een onbekend paleis, toen ik
de weg verloren was, hoewel ik keurig alle plannen
had gevolgd, alle raad had opgenomen in het
spiegelveld van morgen, toen gisteren nog voor het
grijpen lag en alles wat dan nog gebeuren moest enkel
verlangen was naar openbaring,
dit is wat ik zag,
terwijl het leek alsof een jachthoorn in de verte
aanzette tot verdergaan, een melodie die harten
vreugdevol maakt, die zich in alle hoeken nestelt, ze
afrondt tot er niets dan buiging overblijft, en  daarin
kon ik dan verdwalen zonder dat ik zorg hoefde te
dragen naar wat zich binnenin ontplooide,
dit is wat ik zag,
ik zag het in de bomen, in hun stammen, in hoe zij
zich onmerkbaar voortbewogen, of was het ik toch
die maar verderging,
weten wij veel, wij weten alles als het maar meetbaar is,
als het kan worden ingedeeld in maten, in gewichten,
maar niet in, nooit in plooibaarheid, zoals de tijd, die
zich langs deze stammen slingert als een mistgordijn,
aan indeling heeft zij een broertje dood, zij speelt, zij
laat zich niet verschalken, terwijl wij, wij weten beter,
altijd beter.
Ik zag twee poorten, en de ene leek de ingang voor de
andere, niet te onderscheiden, niet uit te maken of je
ergens toekwam of vertrok, en de jachthoorn klonk
steeds luider, steeds indringender, een zielentoon die
zo herkenbaar is hoewel de partituur ervan nooit aan
papier werd toevertrouwd, wat niet in mensenheugenis
geschreven staat ligt hier plots voor het rapen, regels
voor het grijpen, orgelpunten, paradijs, ik zag twee
poorten, hoe meer ik reikte naar de ene, hoe meer de
andere zich sloot en omgekeerd, drijven, ik bleef maar
drijven op en neer in golven licht en donker, luid en stil,
ze geurden als een lenteochtendgloren, en ik sloot mijn
ogen, en ik zag, ik zag nog, ik zag nog twee poorten en ik
reikte,
reikte tot ik neigend dan werd opgenomen in herinnering.

in dankbare herinnering aan mijn moedertaal lessen nav een tekst  van Midas Dekkers “Hardlopers zijn doodlopers” en de daaropvolgende discussies met studenten > citaat: ‘Wil je weten waar ze uitkomen, kijk dan naar het renpaard. Dat is al aan zijn asymptoot.’ > of hoe Taalkunde, Wiskunde, Biologie etc. onderdeel zijn van 1 & hetzelfde lichaam 🙂

Reis van de vermoeide Harten

Love and Light

De reis begint, dan is het goed om aan de tafel
voedsel in te slaan zodat de geest zich leeg kan
maken, ruimte biedt voor indrukken die
onderweg het oog opvallen als het ver voorbij
de horizon weet dat in de wolken reeds
ontwaken  sluimert voor vermoeide Harten.
Dwalend zwerft de nachtegaal doorheen
inktzwarte Duisternis en toch is hij nog te
onderscheiden, klapwiekend verplaatst hij
de armen die hem dragen, voor het oplettend
Oor vertelt hij over het zachte diepe Weten,
de geborgenheid die men ontmoet als Hout
ontvlamt  nadat het spaarzaam werd verzameld
om ontvankelijke Warmte te verspreiden,
om te delen wat in Winters werd gestapeld
om reeds Zomers te ontvangen, terwijl
de Lente nog op zich laat wachten.
Zo begint de reis, een vaag vermoeden
wat het reisdoel wezen kan is lang reeds
opgeborgen in de kamers van het huis
dat men tussen kale bomen losgelaten heeft
nog voor de reiswind hen onstuitbaar heen
en weer liet zwiepen: zoals een woord kan
komen aangewaaid nog voor het wordt
gesproken, nog voor het oren vindt om in
te wonen, nog voor de taal bestaat waarin
betekenis kan huizen, net zoals ik hier
het lichaam vond dat wenkte, terwijl ik
nog duizenden lichtjaren verwijderd was
van openbloeien, zo klopt de reiswind aan,
een vuurtoren die pal de hoogste golf weerstaat
en zuiver Licht geeft, een straal die als
een navelstreng de sterren likt. Ja, zo begint
de reis, de reis van de vermoeide Harten,
zij weten dat waar Licht en Water elkaar raken
rust te vinden is, een Poort naar diepe en
verwelkomende Warmte die uitnodigend is,
de ogen opent voor wat nog in onzichtbaarheid
verborgen lag, maar toch Aanwezig is, zoals
het maanlicht slechts wordt opgewekt als zij
haar donkere zijde aan de wentelende Zon ter
koestering aanbiedt, groeiend, zoals verlangen
eenmaal losgelaten plots vervulling vindt,
zo komt de reiswind en zo begint de reis,
zo komen zonder aarzeling de eerste stappen.

Afbeelding > Sopena de Carneras, Leon, Spanje

Hemelpoort

 
 

Wat blijft er achter in de hemel als alle wolken
zijn verdwenen? Zoals een vers getrokken spoor
door zon verzandt in stof, zoals voetstappen
verdwijnen eenmaal gedrukt, zo is het ook met
woorden: eenmaal uitgesproken worden ze
luchtledig, naakt en onbeschermd, ze drijven
verder in golven, spoelen aan, en worden dan
gegrepen door onschuldige kinderhanden, die
er nieuwe dromen mee verzinnen. Wat blijft er
achter in de hemel als alle wolken , alle tekens
zijn verdwenen, uitgewist, en enkel staalblauw 
nog aanwezig is? Misschien is  ergens ver, nog
niet beschenen toch een hemelpoort, een opening
waarvan de sleutels ons ontbreken, die ooit
in onze handen aangespoeld ons het verzinnen
boden van wat door onze dromen dan werd
ingevuld, alsof onze armen onze handen lieten
grijpen doorheen tralies naar enkele naakte
woorden , luchtledig, onbeschermd, net geboren,
in verwachting van een wederwoord.

(afbeelding: Boutman, uitkijkend over de Noordzee, Oostduinkerke)