Waar ben je nu?
Waait wind wolken weg
ontplooit er zich een dieper
weten: vanuit een blauwe
diepte spreek je, zoals je
nooit gesproken hebt, en ik
luister, je woorden dragen
verder dan mijn lippen ooit
vermochten, en zo fluister
je mijn naam, je schrijft
in letters die alle wind
weerstaan: je blijft
bestaan
Wandelaar
Een wandelaar kijkt rond, verkent het stappenplan
met vleugels en droomt reeds van een vergezicht dat
nog verborgen ligt, een wolkenwandeling die helder
uitgestippeld op de landkaart van het leven staat
gedrukt, nog onbetreden, een wandelaar kijkt rond,
hij draait en keert en volgt een ogenblik, een spoor
dat moet getrokken worden om horizon aan horizon
te binden, een wandelaar kijkt rond, klapwiekend over
grenzen, waait heen en weer, zwerft tussen aankomst
en vertrek, een golf die noch aan eb noch aan de vloed
behoort en toch een thuis vindt in het stromend water,
een wandelaar kijkt rond en twijfelt even, alsof hij
niet geloven wilt dat wat hij achterlaat zal terugkeren,
zoals een ademtocht, herinnering, die zich opnieuw zal
openplooien als een onbekende levenslijn, die niets
anders verlangt dan nacht aan dag en wandeling aan
wandelaar te binden.
Vondeling
Je ogen lezen is als water putten uit
een diepe bron: onuitputtelijk stromen
verhalen die geen einde kennen noch
begin in talen telkens nieuw. Je ogen
lezen is als wolken volgen die de wind
vooruitgaan: over elkaar schuiven ze
de hemel langs, ze drijven op een spel
van zonnestralen. En daarin kan ik
wonen, al je kamers zijn vertrouwd,
zelfs blindelings vind ik de weg nog
voor ik slapen wil. Je ogen lezen is
de nacht vergeten , vergeten dat er
weten is. Je ogen lezen is verdrinken
in een oceaan van vreugde, is in
leegte zwemmen, is je armen zoeken
en er vinden wat onvindbaar is. Als
ik je ogen lees ben ik een vondeling.
Stil
Je luistert niet want het is stil , toch hoor
je 1000 woorden. Het spreken gaat aan
jou voorbij omdat je luistert met je ogen.
Zoals de zon nu achter wolken schuilt
zo regent het geluiden die je niet kan
zien. Toch wordt er hoop geschonken,
maar die vraagt niet om een wederwoord.
Er bloesemen geuren langs het venster
binnen en even word je afgeleid, je lijden
gaat even opzij, een zonnestraal kan je
verblijden. Even krijg je de indruk dat
het licht verschijnen zal, maar dan ga je
weer slapen, als een beer die naar zijn
hol trekt voor de winter, en klaar is om
in dromen te verdwijnen. O, als je een
mol kon zijn, dan zou je zien hoe helder
deze tunnel is. En sterker nog, er komt
geen einde aan. Het zien is er als naar
de plaatjes van een kinderkijker, waarin
gespiegeld 1000 beelden als even zoveel
sterren draaien in wentelende Melkweg
stelsels. O, als je hier kon zijn, aanwezig
in dit ogenblik dan zouden lichtjaren
je optillen uit je vergetelheid, je zou met
millimeterstapjes door eeuwigheden
reizen, maar je luistert niet, want het
is stil, toch liggen 1000 woorden voor
het rapen. Er valt een moeheid over je,
alsof een zwaartekracht je neerhaalt
in je winterhol. Kom, laat alle ogen
achter, en je zal zien dat op het netvlies
van je spreken, het luisteren te wachten
ligt, zwijg nu in alle talen, en ontvang .
Woordenschat
Er zijn woorden die zo breekbaar zijn als water,
pas gestold, kristallen die het staalblauw van
de hemel laten harden tot een schelp van ijs,
een ijl, doorzichtig vlies dat rond je stem hangt,
zo stil, zo breekbaar en dan, zoals de zon kan
opwarmen, is het goed ze dan pas uit te spreken
als ze kunnen thuiskomen, een haven kunnen
vinden voor hun kwetsbaarheid, ver weg van
wreed gebulder, eindelijk beschermd, gedragen
door de liefde van stilzwijgend weten.





