Zuidenwind

Vanuit het Zuiden waait een wind
waarin ik alle tranen voel die zich
op trossen nestelden in de armen
van de zon, er zijn geen woorden
nodig om verdriet te proeven dat
zich zacht over de lippen plooit
en daar verzoening smeekt

Vanuit het Zuiden waait een wind
waarin ik alle blikken lees die met
gelijke munt betaalden, die om
verzoeting vroegen en smolten als
de druppels die op trossen, nauw
zichtbaar, toch hun afdruk achter
lieten, vlindersporen, wiekend
verlangen, getuigen van aanwezigheid

Vanuit het Zuiden waait een wind,
het is de Zuidenwind die mij van
antwoord dient, hij zingt me aan
en ik zing mee: kom, kom snel, ik
heb je roep gehoord, en daarin
staat de Liefde pal, onwrikbaar,
niet te stuiten, zoals ik waai zal
ik je dromen dan bewolken, zodat
in alle trossen nu jouw Hartenwens
zal schijnen

O Zuidenwind, waai verder, wees
mijn herder en dan zal ik gedragen
worden, gooi alle trossen los, om
thuis te komen in het Land van
Oorsprong.

Vondeling

Je ogen lezen is als water putten uit
een diepe bron: onuitputtelijk stromen
verhalen die geen einde kennen noch
begin in talen telkens nieuw. Je ogen
lezen is als wolken volgen die de wind
vooruitgaan: over elkaar schuiven ze
de hemel langs, ze drijven op een spel
van zonnestralen. En daarin kan ik
wonen, al je kamers zijn vertrouwd,
zelfs blindelings vind ik de weg nog
voor ik slapen wil. Je ogen lezen is
de nacht vergeten , vergeten dat er
weten is. Je ogen lezen is verdrinken
in een oceaan van vreugde, is in
leegte zwemmen, is je armen zoeken
en er vinden wat onvindbaar is. Als
ik je ogen lees ben ik een vondeling.

Hemelpoort

 
 

Wat blijft er achter in de hemel als alle wolken
zijn verdwenen? Zoals een vers getrokken spoor
door zon verzandt in stof, zoals voetstappen
verdwijnen eenmaal gedrukt, zo is het ook met
woorden: eenmaal uitgesproken worden ze
luchtledig, naakt en onbeschermd, ze drijven
verder in golven, spoelen aan, en worden dan
gegrepen door onschuldige kinderhanden, die
er nieuwe dromen mee verzinnen. Wat blijft er
achter in de hemel als alle wolken , alle tekens
zijn verdwenen, uitgewist, en enkel staalblauw 
nog aanwezig is? Misschien is  ergens ver, nog
niet beschenen toch een hemelpoort, een opening
waarvan de sleutels ons ontbreken, die ooit
in onze handen aangespoeld ons het verzinnen
boden van wat door onze dromen dan werd
ingevuld, alsof onze armen onze handen lieten
grijpen doorheen tralies naar enkele naakte
woorden , luchtledig, onbeschermd, net geboren,
in verwachting van een wederwoord.

(afbeelding: Boutman, uitkijkend over de Noordzee, Oostduinkerke)

Stil

Je luistert niet want het is stil , toch hoor
je 1000 woorden. Het spreken gaat aan
jou voorbij omdat je luistert met je ogen.
Zoals de zon nu achter wolken schuilt
zo regent het geluiden die je niet kan
zien. Toch wordt er hoop geschonken,
maar die vraagt niet om een wederwoord.
Er bloesemen geuren langs het venster
binnen en even word je afgeleid, je lijden
gaat even opzij, een zonnestraal kan je
verblijden. Even krijg je de indruk dat
het licht verschijnen zal, maar dan ga je
weer slapen, als een beer die naar zijn
hol trekt voor de winter, en klaar is om
in dromen te verdwijnen. O, als je een
mol kon zijn, dan zou je zien hoe helder
deze tunnel is. En sterker nog, er komt
geen einde aan. Het zien is er als naar
de plaatjes van een kinderkijker, waarin
gespiegeld 1000 beelden als  even zoveel
sterren draaien in  wentelende Melkweg
stelsels. O, als je  hier kon zijn, aanwezig
in dit ogenblik  dan zouden lichtjaren
je optillen uit je vergetelheid, je zou met
millimeterstapjes door eeuwigheden
reizen, maar je luistert niet, want het
is stil, toch liggen 1000 woorden voor
het rapen. Er valt een moeheid over je,
alsof een zwaartekracht je neerhaalt
in je winterhol. Kom, laat alle ogen
achter, en je zal zien dat op het netvlies
van je spreken, het luisteren te wachten
ligt, zwijg nu in alle talen, en ontvang .

Familieopstellingen

Alle familie op bezoek vandaag, wat was het
weer een heel gedoe, want oom  was daar,
en die bracht tantes mee , en opa had die
oma netjes neergepoot op de familietroon
alwaar zij  als een Keizerinnenstuk de boel
beheerde. Verliefde vader vond niet beter
dan alle zijn vrouwen uit te nodigen, en
die hadden dan ook nog al hun mannen
mee kortom iedereen, een bont gezelschap
verzameld van de clan. Ja, altijd een heel
gedoe, een heel gedoe, word  dan zo moe,
en moeder steeds, en alle kleine, alle grote
kinderen daar ook nog bij om van hun
oud of nieuw lief nog te zwijgen. En allen
lopen rond  van hot naar her, helpende
handen hier, verveling daar, een opgewekt
verhaal van ’t jongste kleinkind dat allen
in een lach laat schieten, een opmerking
van oma die plots een stilte vallen laat,
en oude wonden openrijt, zo gaat het wel
altijd, in iedere familie wel wat lief dat
zalft, en leed dat vreet, maar wat ik niet
vergeet is hoe vader soms nog moeder wordt
en omgekeerd, alsof ze zeggen willen hoe
banden knellen kunnen of bevrijden, ’t is
maar hoe je het bekijkt, ik  kan het weten
want ik was erbij.

(afbeelding: “Laatste avondmaal”, Johannes Wickert, olie op doek, 4mx2m)