Als je dorst hebt vergeet dan niet te drinken van het Heilig Water
en zoek het niet in de verre duistere brakke poelen
waar muren opgetrokken zijn om alle Licht te weren
Als je dorst hebt, en als nergens water te bespeuren valt,
als alle bomen zijn gedroogd door een verzengend Vuur
… als alle Liefde lijkt verdwenen en de nacht zo donker lijkt
dat zelfs voor het geoefend oog de weg schijnt opgelost in droog verlangen,
als enkel nog de angst schijnt recht te staan om je wild en kloppend hart te temmen, dan:
vergeet het Heilig Water niet
En zoek het niet in de verre duistere brakke poelen
waar muren opgetrokken zijn om alle Licht te weren
Vergeet niet dat je ooit geboren bent uit Liefde volle vonk om hier je Licht te laten schijnen,
en als je dan het lampje vindt dat vreugde van verlichting bracht in deze donkere nacht,
vergeet het heilig Water niet, O ja, drink toch van dat Heilig Water
dat blinden kan doen zien, de stommen vlot laat spreken en alle ogen, alle Harten opent,
je zal kijken in de Bron van Eeuwig Leven, ook al weet je niet waar het ontsprongen is
Vergeet niet dat ook jij geboren bent uit Liefde volle vonk
om hier je schitterend Licht te laten schijnen,
vergeet het Heilig Water niet dat allen hier verbindt,
dat allen hier de voeding biedt die elke nacht opnieuw weerstaat aan alle pijn,
vergeet het Heilig Water niet
Laten we samen gaan, laten we samen wandelen, samen onderweg
en drinken van dat Heilig Helend Water binnen handbereik,
één ogenblik volstaat om te verrijzen,
ook al weet je het niet
vergeet het Heilig Water niet,
want hoe, hoe denk je dan dat wij
hier, nu, de Liefde vinden en herkennen
die Liefde die alle duisternis weerstaat?
(gedicht afscheids- en dankviering 6de jaars Maria Assumptalyceum, 21 juni 2013)
Zal ik je vragen om dit woord te dragen,
de letters één voor één in uiterste
voorzichtigheid over je lippen laten
vloeien, zoals golven over zand, waar ze
dan worden opgenomen en hun warmte
laten één worden met wat in zee was
opgeslagen, zal ik je vragen om dit woord
te dragen, het zo te laten drijven dat je
je geborgen voelt en veilig, zoals het schip
waarop ze werden uitgesproken, wetend
dat de haven wacht om thuis te komen,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
nog voor het zacht wordt uitgesproken,
tot het weerklank vindt, een klankbord,
zoals golven op het strand in zand, de
korrels in je hand die wegen zoeken,
kegels maken op het wateroppervlak,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
niet meer klagen, stilte wagen waarin
alles dan kan uitgesproken worden, o
zo dit wonder zich te laten openbaren,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
ik durf het bijna niet te vormen, het is
zo oud, het werd met mij geboren in
de zee, zal ik je vragen om dit woord
te dragen, ben je er om mij dan daarin
verder te vervoeren, want het voelt
alsof de grond verdwijnt, alsof ik weg
zal zinken, zo verdrinken, zal ik, zal ik
je vragen om dit woord te dragen zoals
dit papier waaraan ik dit verlangen
toevertrouw, zal ik je vragen, vragen
om mij niet te laten vallen, achter te
laten tussen al dit wit? Zal ik je vragen
samen met mij dit te wagen, zal ik je
vragen of het goed is, of het veilig is
de haven te verlaten, zeg het mij, ik ben
de taal vergeten om het uit te spreken,
er resten enkel tranen en jouw ogen om
de mijne te ontvangen, zal ik het vragen
en als ik het dan vraag zal ik dan nog
bestaan, of zal ik verder gaan, zal je dit
woord dan meenemen, zodat het aan de
horizon verdwijnt, of zal je met jouw
armen reiken naar de mijne, zoals die
korrel in het zand, daar door de golven
neergelegd om nooit meer te verdwalen,
en daarin geschreven en gebrand jouw
woord dat ik volmondig op de tong nam
om het met jou te delen, o, zal ik het
vragen, zal ik het vragen, dat je mij dan,
al is het maar voor even draagt, tot onze
lippen elkaar net niet raken en toch
verenigd zijn?
Intrigerend kortverhaal van Rober Musil (1880-1942) vertaling: M. Coutinho > hoe de observatie van het kleine een confronterend vergrootglas wordt…
Het vliegenpapier Tangle-foot is ongeveer zesendertig centimeter lang en éénentwintig centimeter breed; het is bestreken met gele, vergiftigde lijm en komt uit Canada. Als een vlieg erop neerstrijkt — niet bijzonder gretig, meer uit conventie, omdat er al zoveel anderen zijn —, plakt hij eerst alleen met de onderste, omgebogen geledingen van al zijn pootjes eraan vast. Een heel lichte, zonderlinge gewaarwording, alsof wij in het donker lopen en met naakte voeten op iets trappen dat nog niets anders is dan een weke, warme, onoverzichtelijke weerstand en reeds iets waarin geleidelijk het gruwelijk menselijke binnenvloeit, het herkend worden als een hand, die daar op de een of andere manier ligt en ons met vijf steeds duidelijker wordende vingers vasthoudt. Daar staan ze allemaal geforceerd rechtop, als tabeslijders (*) die niets willen laten merken, of als wrakke oude soldaten (en een tikje o-benig, als wanneer je op een steile bergkam staat). Ze laten zich niet gaan en verzamelen kracht en bezinning. Enkele seconden later zijn ze tot een besluit gekomen en beginnen uit alle macht te gonzen en op te vliegen. Ze gaan met deze woeste handeling zo lang door tot uitputting hen tot ophouden dwingt. Er volgt een adempauze en een nieuwe poging. Maar de tussenpozen worden steeds langer. Ze staan daar en ik voel hoe radeloos ze zijn. Van onderen stijgen verwarrende geuren op. Als een kleine hamer tast hun tong ernaar. Hun kop is bruin en harig, als uit een kokosnoot gemaakt; als menselijke negeridolen. Ze buigen zich naar voren en terug op hun stevig vastgelijmde pootjes, buigen door de knieën en zetten zich af, zoals mensen die op elke manier proberen een te zware last te verzetten; tragischer dan arbeiders het doen, waarachtiger in de sportieve expressie van uiterste inspanning dan Laokoön (**). En dan komt het steeds even eigenaardige ogenblik waarin de behoefte van een seconde uit het heden zegeviert over alle machtige duurzame gevoelens van het leven. Dat is het ogenblik waarop een klauteraar om de pijn in zijn vingers vrijwillig de greep van zijn hand opent, waarop een verdwaalde in de sneeuw gaat liggen als een kind, waarop een achtervolgde met stekende pijn in zijn zijde stilstaat. Ze bewaren niet meer uit alle macht de afstand, ze zakken wat in elkaar en zijn op dat ogenblik heel menselijk. Onmiddellijk raken ze op een nieuwe plek vast, hogerop aan een poot of aan hun achterlijf of aan het uiteinde van een vleugel. Als zij hun geestelijke uitputting hebben overwonnen en na een korte poos de strijd voor hun leven weer opnemen, zijn ze al in een ongunstiger positie verankerd, en hun bewegingen worden onnatuurlijk. Dan liggen ze met gestrekte achterpoten op hun ellebogen opgericht en proberen zich af te zetten. Of ze zitten op de grond, steigerend, met uitgestrekte armen, als vrouwen die tevergeefs trachten hun handen uit de vuisten van een man te wringen. Of ze liggen op hun buik, hoofd en armen naar voren, als gestruikeld, en houden alleen nog hun gezicht omhoog. Steeds echter is de vijand slechts passief en haalt slechts winst uit hun wanhopige, verwarde ogenblikken. Iets onbestemds trekt hen omlaag. Zo langzaam, dat je het nauwelijks kunt volgen, en meestal met tot slot een plotselinge versnelling, als de laatste innerlijke inzinking hen overvalt. Dan laten ze zich plotseling vallen, naar voren op hun gezicht, over hun poten heen; of zijwaarts, met uitgestrekte poten; vaak ook op zij, achterwaarts roeiend met hun poten. Zo liggen ze daar. Als neergestorte vliegtuigen die met één vleugel de lucht in steken. Of als gekrepeerde paarden. Of met onbeschrijflijke gebaren van wanhoop. Of als slapers. Nog de volgende dag ontwaakt er soms een, tast een paar ogenblikken met een poot of gonst met een vleugel. Soms rimpelt zo ’n beweging over het hele veld, dan zakken ze allemaal nog wat dieper weg in hun dood. En slechts aan de zijkant van het lijf, in de buurt waar de poten beginnen, hebben ze het een of andere nietige, glinsterende orgaan, dat leeft nog lang. Het gaat open en dicht, je kan het zonder vergrootglas niet aanwijzen, het lijkt net een heel klein mensenoog, dat onophoudelijk open- en dichtgaat.
(*) tabes: ruggenmergtering (**) Laokoön: deze priester waarschuwde de Trojanen voor het houten paard dat de Grieken achterlieten. Met zijn beide zoontjes werd hij door twee monsterachtige slangen gewurgd; beroemde beeldengroep uit de oudheid, nu in het Vaticaans museum bewaard:
Inkt bevriest, woorden stollen op papier,
veraf klinken de vreugdekreten van wat
in wieken aan de tijd gegeven wordt,
het is alsof de wind plots van zich horen
laat, na al te lang afwezig zijn keert wonder
terug, het is er altijd al geweest maar hield
zich wat onzichtbaar, zelfs op je hand was
enkel nog wat stof achtergebleven van
jaren, en toch, inkt bevriest en plots
blijken de woorden niet te stelpen,
ze lichten op, ze zijn nu uitgestold en
smelten voor de zachte hand die die hen
het leven schenkt, O, geen angst meer
en geen wederwoord want de nacht
is dag geworden, verlangen waait nu weg,
boven de hoofden roepen vreugdekreten,
ze zijn vlakbij, je kan ze nu de hand wel
reiken, kijk, je hoeft zelf niets te vragen
want ze dragen je voorbij het vuur, ver,
verder dan je ooit kon dromen, het wachten
werpt zijn vruchten af, je hebt het altijd wel
geweten, de welbekende reis, je hebt er
zo lang in gewoond en eindelijk kan je
naar buiten, zomaar, O, wie nog in wonderen
gelooft die zal nooit sterven want hij weet:
je bent toch nooit geboren, je bent er altijd
al geweest.
De vlakte waarin mijn ogen ruimte vonden
grenzeloos, ligt plots achter mij en O,
voortdurend zijn het nu mijn schouders
die zich openrijten langs de meedogenloze
wanden van dit donkere ravijn waardoor ik
strompel, als geworpen, terwijl de hemel,
hoog, slechts tot een dunne streep geworden is,
zelfs helemaal verdwijnt. Mijn handen vinden
enkel stenen, klamme duisternis en kilte, het is
de zwarte engel die mij hier tot gids is, en opent
zich de kloof dan is het om slechts even later
donkerder mij in te klemmen. En ik besef:
hier werd ik toe geboren, om terug te keren
tot dit pad dat ik vergeten waande, waarvan ik
het bestaan ontkende, maar dat toch evenwijdig
langs mijn leven liep. Ik struikel, en proef
de hitte van mijn bloed dat me bedwelmen wil.
Is dit het einde van de reis, de prijs die ik
betalen moet? Waar is de veerman en het pont,
waar de rivier en waar de overkant?
Ik richt me op, mijn laatste woorden als een sleutel
leg ik als pasmunt in je handen en ik geef me over.