Gedragen door een laatste zonnestraal
sluit zachtjes en geruisloos nauwelijks
merkbaar heel nabij de oude poort
en wandel ik naar morgen op een wolk
terwijl ik hunker naar de horizon en ik
bespeur zoals een schip dat aan de einder
langzaam groeit de nieuwe poort van het
beloofde land die zich zoals een bloem
ontvouwt en bloeit om mij met open armen
te ontvangen en met de wind laat ik me
drijven over de zeeën en het zand onder
de sterren boven de meeuwen en de duinen
en luister als een kind naar de verhalen van
de overkant waarin ik steeds een antwoord
vind. Beter dan dat ik tranen laat over de regen
die me zou kunnen overspoelen ben ik gelukkig
nu zoals een wolk en stel geen vragen
Verhalen
Waarover wil je me vertellen?
Waarover ga je me vertellen?
Ik luister naar hoe je blijft vertellen
over gisteren, morgen, vandaag,
zelfs over Nu,
ach, vertel me liever over Liefde,
zoals die overloopt van Hartelijkheid,
van grenzeloze stilte die zo vruchtbaar
is als helder water,
die ieder greintje medelijden met jezelf
doet smelten als voor de zon een sneeuwvlok
En toch, ik hoor hoe je vertelt
over morgen, gisteren, vandaag, zelfs over Nu,
wij kijken elkaar aan,
vinden we daar die Liefde?
Vinden we daar de fijnafstemming onzer Zielen?
Ach, ik hoor je praten over
morgen, gisteren, vandaag, zelfs over Nu,
ik hoor het niet,
ik voel het niet,
enkel de wind die tussen ons zijn weg zoekt,
die kan ik zien,
die kan ik voelen,
mijn huid die aan het trillen slaat,
hij brengt verhalen, O, die verhalen
die overlopen van de Hartelijkheid
die enkel in een ogenblik te vinden is
als je je ogen sluit.
afbeelding: Belfort, Brugge
Het Heilig Water van Emmaüs
Als je dorst hebt vergeet dan niet te drinken van het Heilig Water
en zoek het niet in de verre duistere brakke poelen
waar muren opgetrokken zijn om alle Licht te weren
Als je dorst hebt, en als nergens water te bespeuren valt,
als alle bomen zijn gedroogd door een verzengend Vuur
… als alle Liefde lijkt verdwenen en de nacht zo donker lijkt
dat zelfs voor het geoefend oog de weg schijnt opgelost in droog verlangen,
als enkel nog de angst schijnt recht te staan om je wild en kloppend hart te temmen, dan:
vergeet het Heilig Water niet
En zoek het niet in de verre duistere brakke poelen
waar muren opgetrokken zijn om alle Licht te weren
Vergeet niet dat je ooit geboren bent uit Liefde volle vonk om hier je Licht te laten schijnen,
en als je dan het lampje vindt dat vreugde van verlichting bracht in deze donkere nacht,
vergeet het heilig Water niet, O ja, drink toch van dat Heilig Water
dat blinden kan doen zien, de stommen vlot laat spreken en alle ogen, alle Harten opent,
je zal kijken in de Bron van Eeuwig Leven, ook al weet je niet waar het ontsprongen is
Vergeet niet dat ook jij geboren bent uit Liefde volle vonk
om hier je schitterend Licht te laten schijnen,
vergeet het Heilig Water niet dat allen hier verbindt,
dat allen hier de voeding biedt die elke nacht opnieuw weerstaat aan alle pijn,
vergeet het Heilig Water niet
Laten we samen gaan, laten we samen wandelen, samen onderweg
en drinken van dat Heilig Helend Water binnen handbereik,
één ogenblik volstaat om te verrijzen,
ook al weet je het niet
vergeet het Heilig Water niet,
want hoe, hoe denk je dan dat wij
hier, nu, de Liefde vinden en herkennen
die Liefde die alle duisternis weerstaat?
afb: http://billpeddie.wordpress.com/2012/04/10/the-road-to-emmaus/
Dragen
Zal ik je vragen om dit woord te dragen,
de letters één voor één in uiterste
voorzichtigheid over je lippen laten
vloeien, zoals golven over zand, waar ze
dan worden opgenomen en hun warmte
laten één worden met wat in zee was
opgeslagen, zal ik je vragen om dit woord
te dragen, het zo te laten drijven dat je
je geborgen voelt en veilig, zoals het schip
waarop ze werden uitgesproken, wetend
dat de haven wacht om thuis te komen,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
nog voor het zacht wordt uitgesproken,
tot het weerklank vindt, een klankbord,
zoals golven op het strand in zand, de
korrels in je hand die wegen zoeken,
kegels maken op het wateroppervlak,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
niet meer klagen, stilte wagen waarin
alles dan kan uitgesproken worden, o
zo dit wonder zich te laten openbaren,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
ik durf het bijna niet te vormen, het is
zo oud, het werd met mij geboren in
de zee, zal ik je vragen om dit woord
te dragen, ben je er om mij dan daarin
verder te vervoeren, want het voelt
alsof de grond verdwijnt, alsof ik weg
zal zinken, zo verdrinken, zal ik, zal ik
je vragen om dit woord te dragen zoals
dit papier waaraan ik dit verlangen
toevertrouw, zal ik je vragen, vragen
om mij niet te laten vallen, achter te
laten tussen al dit wit? Zal ik je vragen
samen met mij dit te wagen, zal ik je
vragen of het goed is, of het veilig is
de haven te verlaten, zeg het mij, ik ben
de taal vergeten om het uit te spreken,
er resten enkel tranen en jouw ogen om
de mijne te ontvangen, zal ik het vragen
en als ik het dan vraag zal ik dan nog
bestaan, of zal ik verder gaan, zal je dit
woord dan meenemen, zodat het aan de
horizon verdwijnt, of zal je met jouw
armen reiken naar de mijne, zoals die
korrel in het zand, daar door de golven
neergelegd om nooit meer te verdwalen,
en daarin geschreven en gebrand jouw
woord dat ik volmondig op de tong nam
om het met jou te delen, o, zal ik het
vragen, zal ik het vragen, dat je mij dan,
al is het maar voor even draagt, tot onze
lippen elkaar net niet raken en toch
verenigd zijn?
Stollen
Inkt bevriest, woorden stollen op papier,
veraf klinken de vreugdekreten van wat
in wieken aan de tijd gegeven wordt,
het is alsof de wind plots van zich horen
laat, na al te lang afwezig zijn keert wonder
terug, het is er altijd al geweest maar hield
zich wat onzichtbaar, zelfs op je hand was
enkel nog wat stof achtergebleven van
jaren, en toch, inkt bevriest en plots
blijken de woorden niet te stelpen,
ze lichten op, ze zijn nu uitgestold en
smelten voor de zachte hand die die hen
het leven schenkt, O, geen angst meer
en geen wederwoord want de nacht
is dag geworden, verlangen waait nu weg,
boven de hoofden roepen vreugdekreten,
ze zijn vlakbij, je kan ze nu de hand wel
reiken, kijk, je hoeft zelf niets te vragen
want ze dragen je voorbij het vuur, ver,
verder dan je ooit kon dromen, het wachten
werpt zijn vruchten af, je hebt het altijd wel
geweten, de welbekende reis, je hebt er
zo lang in gewoond en eindelijk kan je
naar buiten, zomaar, O, wie nog in wonderen
gelooft die zal nooit sterven want hij weet:
je bent toch nooit geboren, je bent er altijd
al geweest.







