Omarming

Hoe wil je dat het grote je omarmt
als je het kleine niet begeert? Hoe
wil je op een bergtop staan als je de
heuvel niet  bewandelen wil? Want
oceanen ken je pas als je hun druppels
hebt gedronken,  en jade draag je als
je lompen hebt gekend. Van woorden
proef je pas als je hun beeltenis hebt
ingekleurd en met letters is het gulzig
schrijven als je de inkt gevonden hebt.
Van kinderen hou je pas als je de
maan kan vangen in een vlindernet,
om er dan nacht mee te verlichten.
Zoals het goed lopen is in tuinen van
verwondering, zo is het innig beter
nog het gras te wieden en er klavertjes
te vinden, die je soms dubbelarmig
kunnen koesteren. O, als ik spreken
kon in deze taal, zou duisternis
verdwijnen, zou op een hemels
toonlied alle verdriet verschrompelen.
Ik zou de wereld in een liefdesmantel
kunnen dekken zoals wolken voor
een late zon om zo haar stralen te
verdelen. Als alle torenklokken luiden
luister dan naar hun verhaal.
Want hoe wil je dat het kleine  je
omarmt als je het grote niet begeert?

afbeelding @ Aleksandra Woldanska

Dan

O ja, ik weet het wel, als alle klokken luiden dan
zal de Tijd gekomen zijn, en zachtjes loop ik dan
ik loop heel zachtjes naar beneden dan, en ja dan
kies ik tree na tree, tot ik je ogen vind en dan ja dan
hoor ik je stem en voel je blik, heel langzaam dan
zoals die over heel mijn wezen, heel mijn leven dan
zich uitspreidt als een gouden mantel, en pas dan,
dan kan ik je bedanken, je nogmaals danken dan,
ja, dan ben ik klaar, je mag me komen halen dan,
want dan, dan valt volkomen alles stil, en open dan
een openbloeien dan, in Licht, zoals Je Woord, dan
weten wij wat heel die Tijd in ons geborgen, nu dan
zich ontvouwen kan, zo Vredevol, in Vreugde dan
zich plots kan openbaren, zoals die Ster, die dan
Jouw Licht verhelderde, zodat wij, stervelingen, dan
opgenomen worden, opgelicht, opgelost, dan, ja, dan

afbeelding: klokkentoren Saintes-Maries-de-la-Mer, Provence, Frankrijk, zomer 2008

Bron

Toen ik het water zag wist ik geen blijf
met de tranen die maar bleven stromen,
een rivier naast de rivier,
alsof een nieuwe bron zomaar ontsprong,
verdriet dat lang in diepe kloven,
krochten en gewelven kronkelde
alsof het water dacht te zijn,
maar toen het plots naast de rivier
dan eindelijk tevoorschijn kwam
bleek het de adem van het leven zelf te zijn,
dat wonderbaarlijk altijd durend kloppen
van een dooraderend bestaan,
zonder begin en zonder einde
dit weten en dit water samen
zorgen voor een nooit vergeten.

Lourdes, februari 2010

Wie

Wie ben je zeg het mij, wie ben je,
wie zal zeggen dat jij het bent als
ik niet weet wie je bent? Zoals een
blad dat dwarrelt in de wind zie
ik naar jou, ik wil je met mijn ziel
bereiken maar je waait steeds verder
weg, wie ben je, zeg het mij. De boom
blijft achter en houdt er stug het
zwijgen toe, hij heeft je losgelaten
zijn takken wuiven nog, je afscheid
deert hem niet, en jij waait verder,
en kijkt met snel verkleurend licht
naar wat je zo lang wakker hield.
Wie ben je, zeg het mij ik zou je zo
graag leren kennen, maar je waait
steeds verder, alsof je mij ook
losgelaten hebt. En ik blijf achter,
zwijgend zie ik hoe wolken met je
spelen, hoe je in hun armen wiegt
jouw afscheid ken ik niet en toch
wil ik jou zo graag horen zeggen
wie je bent. Je zwijgt en daarin
herken ik plots aanwezigheid ,
alsof niet ik maar jij het was die
vroeg: wie ben je zeg het mij.

Werken

Zou het hier goed wonen zijn?
Het water kent geen wederwoord,
het vloeit zijn leven zoals ons spreken
in de bedding van het luisteren.
Waar zijn de kinderen die in hun spel
onder de toren alle tijd vergeten?
Waar in het gras langs groene bermen
liggen de uitgestrekte tekenen
van samenzijn?
Waarom dit stromen nu nog vast te leggen
op het netvlies van geheugenbanen?
Zal dit verleidingsspel nog duren
tot de stenen zullen zijn verdwenen?
Zoveel tranen liggen hier te wachten op de zon.
Dit gras is vochtig, vruchtbaar,
maar het groeien kent nog geen begin.
Vader wandelt hier eenzaam tussen
de liederen van vogels die de muren strelen.
Hij is er niet, enkel in wonen.
Voorbij de verte kan hij de aandacht
merken van dit Werken, zoals toen je
ontwaakte uit een vlucht, een helder
zien van wat met onzichtbare inkt
geschreven staat.
Zou het hier goed wonen zijn?
Want altijd heb je geloofd in wat je
ogen toonden.
Altijd kwam het kijken voor het weten.
Wie moet vergeving vragen?
Wie blijft zieltogend achter in dit dorp
waar eens vergeten woonde?
Dan zullen ogen in de nacht oplichten
als opalen, dan zal verdwalen leiden
naar sporen die de stenen achterlieten,
dan zullen aan tafels van de hoop
de glazen klinken, in Werken zal
het dan goed wonen zijn,
dan zal de watermolen verhalen malen
waarvan het goed proeven is.
Verder wandelt vader, in Werken woont hij,
zijn voetstappen vragen niet langer om
gevolgd te worden, want hij is er niet,
enkel in Werken.

(geschreven bij een bezoek aan het West-Vlaamse Werken, deelgemeente van Kortemark)

afbeelding: Kruisstraatmolen, Werken