Afscheidsbrief

De stilte in mijn hoofd is oorverdovend, terwijl ik
in je ogen kijk lijkt het een wonder dat zelfs jij niets
opmerkt van dit overdonderend verhaal, ik kan het
niet begrijpen, ik kan het niet geloven, wij kunnen
elkaar niet bereiken als de taal ontbreekt.

De hemel boven lijkt steeds verder weg, hoe hoger
ik wil klimmen hoe nauwer lijkt de opening te worden
waarlangs licht naar binnen sijpelt, alsof ik neerwaarts
donder in een omgekeerde waterval, ik hap naar lucht,
ik adem dieper maar de lucht wordt ijler, hoe meer ik
snak naar zuurstof hoe lichter voel ik in mijn hoofd,
steeds lichter, mijn armen worden vleugels, ik kan nog
enkel wieken, het wordt steeds minder mogelijk om
verzet te bieden tegen deze drang die opwaarts stuwt,
er is een zwaartekracht die sterker is, die dwingend
overneemt van ademhalen, ik word ontvangen in
luchtledigheid waarin ik eindelijk spreken kan:

“Ik ben niet meer en toch kijk ik je aan, reik ik je aan:
ik bied je oogverblindend inzicht in mijn taal, schenk
mij jouw stilte, oorverdovend, overdonder en beadem
mij, ik bid je nu, wek me tot leven, luister, vertaal dit
sprekend zwijgen, spreek me aan, doorzie me, bereik me,
herken me, raak me aan, ik weet dat je er bent, ik vraag je:
denk me om, gebruik mijn glimlach en maak er de sleutel
van die de geheimtaal van mijn ziel ontcijfert, breek mijn
code, open mij, treed binnen alsjeblief, vergeet mijn zinnen,
en ik schenk je mijn verhaal.”

De stilte in mijn hoofd is oorverdovend, terwijl ik
in je ogen kijk lijkt het een wonder dat zelfs jij niets
opmerkt van mijn overdonderend verhaal, ik kan het
niet begrijpen, ik kan het niet geloven, wij kunnen
elkaar niet bereiken omdat je mijn taal niet spreekt.

 

 

 

 

Kismet

Tussen mijn vingers wemelt gras,
nog droog en niet ontkiemd,
het wacht op grond om in te aarden,
zoals de letters die je achterliet
in brieven die ik nog enkel lezen kan
als ik mijn ogen sluit.

Ik laat ze groeien tot verhalen
waarin verlangen wordt gevoed
dat zoveel jaren al, zoveel jaren wacht
op wederwoord.

Tussen mijn vingers wemelt gras,
nog droog en niet ontkiemd,
ik laat het dansen in mijn schoot,
en als ik strooi
zie ik hoe wind zich meester maakt,
verdeelt en heerst,
en schijnbaar met de grootste willekeur
dit leger neerlegt in de omgewoelde aarde.

Het jaar nadert zijn laatste maand
en dag na dag probeer ik vrucht te zien
van hun verlangen.
Een vreemde angst doet me de keel dichtknijpen,
ik verlies houvast, ankering.
Er komt geen wederwoord,
geen slagorde die oprijst
uit dit ordeloze niemandsland,
dit kerkhof van de hoop.

Ik sluit de ogen maar
en zie hoe halmen wuiven
tussen de schoongewassen duinen,
hoe golf na golf verlangen aanspoelt
en ordelijke kammen achterlaat,
ik word bedwelmd door wederwoord.

Mijn vingers strelen het ontkiemend gras,
geaard verlangen.
Geopend zijn de ogen
aan de hemelpoort.

Lippelo, Lippelobos, Kruisheide, 15 november 2015

Neergelegd

Het was zo’n dag vandaag,
één van de vele honderden die de jaren nu al tellen,
ik heb er mij bij neergelegd,
dat die dagen,
telkens weer,
zich zonder voorafgaande zomaar aanmelden
en wat moet je er dan mee?

Aanvaarden dat er is
een komen en een gaan,
of toch maar hopen dat de volgende
niet meer zo dwingend,
niet meer zo alles overstemmend,
overspoelend zijn?
Zoals golven soms,
als ze opgezweept en brullend zich een weg banen
dwars door en over alles heen,
zand omwoelen,
daarna neerleggen,
telkens weer,
en het tenslotte,
noodgedwongen,
achterlaten op het strand,
uitgestorven.

Ik buig dan nederig voor al dat aanzwellen van machtsvertoon
en kijk of aan de einder er al voorteken van omslag is,
van bedaren,
zoals de jaren die ik tel,
telkens weer,
wanneer jouw beeld zich op mijn netvlies brandt.

Die dagen worden langer,
opwaaiende herinnering,
een herfstblad dat het gras bedekt,
uitgestorven,

daar heb ik mij bij neergelegd.

(Vrijdag 30 oktober 2015)

Avondval

De avond valt
hij laat zich kennen
het is even wennen
wennen aan jou
die al in de nacht wil dwalen,
– zoveel verhalen
zoveel zinnen, –
weinig woorden
om jouw ogenblik
te vullen want
de avond valt
hij laat zich kennen
het is even wennen
want opnieuw begeef ik mij op weg
ik wankel en
ik wil bekennen
aan jou
met jou
aan je lippen toevertrouwen
hoe je mij de adem afsneed
hoe mijn vingers zich
om deze strakke koord
om dit maar telkens weer
zich spannend kluwen
strengelden
verstrikt
gestikt in
deze avondval
die zich nu laat kennen
het is even wennen
maar dit uur is me vertrouwd
want ik wen aan jou
die zoals steeds
in deze nacht wil dwalen,
maar eerst de avond
deze avond
zie hoe hij valt:
laat ons klinken,
zingen, stampen,
stampen
en verdampen
zachtjes wennen
aan de avondval.

(Markt, Londerzeel, 23 oktober 2015, 22:20)

De Gelaarsde Kat

Zo zijn we dan
en in dat zijn
wie zijn we dan

links of rechts
op hoge toppen
of
doorheen diepe dalen

de einder
plots in zicht

één Liefde
diep geborgen
opgeborgen
diep verborgen
in de armen
van de Nacht

daar zijn we dan
daar wordt geen
Licht verdragen
daar koestert enkel
het verlangen
te zijn
de kwetsbaarheid
van vlindervleugels
die achterblijft
op vingertoppen

links en rechts
doorheen de toppen
in de diepe dalen
en in dat zijn
de vreugde van
het raken
raken aan het zijn
van wie we zijn,
daar zijn we dan

(Eetcafé “De gelaarsde Kat”, Kortrijk-Dutsel, zondag 11 oktober 2015, 18:43)