Ravijn

RockWomb

De vlakte waarin mijn ogen ruimte vonden
grenzeloos, ligt plots achter mij en O,
voortdurend zijn het nu mijn schouders
die zich openrijten langs de meedogenloze
wanden van dit donkere ravijn waardoor ik
strompel, als geworpen, terwijl de hemel,
hoog, slechts tot een dunne streep geworden is,
zelfs helemaal verdwijnt. Mijn handen vinden
enkel stenen, klamme duisternis en kilte, het is
de zwarte engel die mij hier tot gids is, en opent
zich de kloof dan is het om slechts even later
donkerder mij in te klemmen. En ik besef:
hier werd ik toe geboren, om terug te keren
tot dit pad dat ik vergeten waande, waarvan ik
het bestaan ontkende, maar dat toch evenwijdig
langs mijn leven liep. Ik struikel, en proef
de hitte van mijn bloed dat me bedwelmen wil.
Is dit het einde van de reis, de prijs die ik
betalen moet? Waar is de veerman en het pont,
waar de rivier en waar de overkant?
Ik richt me op, mijn laatste woorden als een sleutel
leg ik als pasmunt in je handen en ik geef me over.