Verloren

 

Er was een bloem die haar ontplooide
pracht gewillig aan een  windvlaag had
geschonken, uit vrees geplukt te worden,
en met haar armen had ze ook haar geuren
plechtig overhandigd , die nu zweefden
over alle stranden, velden, groene bossen,
en in paleizen hoge waardigheden in opperst
ongeloof kreten liet slaken van verwondering
alsof ze niet geloofden dat ze zelf niet meer
het middelpunt waren van wereldse bewondering.
Ik ben mezelf niet meer, ik heb mezelf verloren.
Toen ik dan wandelde doorheen de tuinen van
mijn jeugdherinneringen en plots besefte dat hun
kleuren en hun geuren niet meer tevoorschijn
kwamen, besefte ik dat ik ze veilig had geborgen
in de kamer van mijn kinderen, tot het jongste
me met een glimlachend verlangen aankeek en
ik ze plots  meteen herkende, alles werd licht,
en in dat helder schijnen vond ik een schitterende
bloem, die ik onbevreesd ontving met open armen,
nam ik haar dankbaar in mijn handen, en werd ik
een geurende aanwezigheid gewaar. Ik was mezelf
niet meer, ik had mezelf verloren.

Zielen

Er gaat geen ziel verloren. Als alle stemmen
zijn verdwenen ,als alle harten zwijgen als
alle handen zijn gegeven en als in alle ogen
alle blikken zijn gesloten dan weet ik: er gaat
geen ziel verloren, als alle oren hun luisteren
verloren hebben als alle bloed voorgoed tot
stollen komt dan weet ik: er gaat geen ziel
verloren, als alle harde woorden in de oorlog
van het spreken als bladeren gevallen zijn
en alle bomen enkel nog hun schors als zachte
armen dragen dan weet ik: er gaat geen ziel
verloren. Je stem, je hart, je handen, je oren en
je bloed, jouw zachte woorden, je spreken nu
tot mij, zo is het dat ik weet: jouw ziel gaat nooit
verloren.

(afbeelding: Millenium Island > Wikipedia)

Verlies

Nu ik plots afscheid van het zonlicht neem
vraag ik me af : waar heb ik het verloren?
Alsof de nacht steeds baadde in het licht zo
leefde ik zonder een glimp van enig teken
aan de overkant. Een vuurtoren die uitgeblust
nog draait, maar enkel kraaien nog tot
woning dient. Onzichtbaar zijn ze, even
zwart als het geblakerd glas waar zelfs geen
spiedend oog doorheen kan. Waar heb ik het
verloren? Is er een maaltijd waar ik niet
genood was? Heb ik in onvertogen woord
een ziel gekwetst of ben ik al vergeven?
Dit aanschijn is mij nooit getoond, zelfs
niet in dromen. Nu ik plots afscheid van
het zonlicht neem vraag ik me af: wordt
mij nog licht geschonken? In deze poel
van duisternis blijft zelfs het vuur nog
donker, hoewel ik scherp de hitte voel.
O, kom, wees lief, bevrijd me en ik zal
slapen als een roos die geurt zoals enkel
een roos kan geuren. O, kom, bevrijd me
van de angst die mij hier met open armen
van alle hoop berooft. O, kom, laat mij
niet los, ik zal je ieder woord beloven
als je mij zonlicht schenkt. Want nu ik
plots afscheid neem, verloren, vraag ik
me af: waar ken ik deze wind dan van,
tenzij van toen ik werd geboren?