Poort

Caridad 027

Gedragen door een laatste zonnestraal
sluit zachtjes en geruisloos nauwelijks
merkbaar heel nabij de oude poort
en wandel ik naar morgen op een wolk
terwijl ik hunker naar de horizon en ik
bespeur zoals een schip dat aan de einder
langzaam groeit de nieuwe poort van het
beloofde land die zich zoals een bloem
ontvouwt en bloeit om mij met open armen
te ontvangen en met de wind laat ik me
drijven over de zeeën en het zand onder
de sterren boven de meeuwen en de duinen
en luister als een kind naar de verhalen van
de overkant waarin ik steeds een antwoord
vind. Beter dan dat ik tranen laat over de regen
die me zou kunnen overspoelen ben ik gelukkig
nu zoals een wolk en stel geen vragen

Nieuwgeboren

Wie ben je, waar ben je, wat ben je?
Je spreekt in zoveel talen, ik herken
je niet, als een kameleon sluip je
mijn netvlies binnen, nu eens denk
ik je te kennen, zelfs te herkennen.
Wie ben je, waar ben je, wat ben je?
Ik denk niet meer, ik trek me terug
net als een vos, een salamander,
zal ik mijn ziel verkopen of laat
ik alles dansen, laat ik alles wiegen
evenwichtig balanceren op het puntje
van mijn tong? Terwijl je spreekt kan
ik niet anders dan  dit woordenspel
miljoenen malen te herhalen tot ik
je vind, tot je doorzichtig wordt, een
sfeer, een heilig teken, zoals je naakte
huid, waarop dit schrijven zichtbaar
wordt, getooid, versierd. Wie ben je,
waar ben je, wat ben je? Man of vrouw,
hard of zacht, ijs of water, en kijk ik
in je  zal ik dan liefde vinden, een
nieuwgeboren ster, of zal een lichtjaar
nodig zijn  om  je toch aan te raken?
Was het een toevalstreffer die je hier
bracht, of toch een wonder, een vrucht,
zoals de volle maan  die deze nacht
verlicht, een zingend bidden, knielend
voor de zon die zich heeft teruggetrokken?
Wie ben je, waar ben je, wat ben je?
Nu alles is gezaaid is het slechts wachten
op een nieuwe lente, raak me aan, voel
me, wees nu mijn kind en wordt geboren.