Staken

 

Vandaag klinkt het parool
het schalt in alle talen.
Kan een gedicht
nog woorden vinden
om de rede te bevolken,
om zwart op wit de karavaan
naar het Beloofde Land te leiden,
het nieuwe Pad  te banen,
om als een voortrekker
banier te zijn van welvaart,
melk en honing,
om het verschil te maken?
Mijn hart dat bloedt,
mijn hoofd besluit te staken.
De luchten trekken zwart en zwaar,
terwijl enkele witte wolken
toch nog hoop vertolken,
het lijken wel soldaten
die hun wapens achterlieten
zich tussen de gelederen nestelden
en van de frontlinie
een schaakbord maakten,
het speelveld van de generaals
blijkt plots een slagveld,
want hun hart dat bloedt,
hun hoofd besloot te staken.
Er zullen altijd woorden over zijn
om pijn te schrijven,
hoeveel nog blijven over
als ook die verdwijnt?
Wanneer de wapens zwijgen
zal er nog voedsel zijn
voor hoop om stilte te bevolken,
zoals ook dit gedicht
dat voor de rede woorden zocht
als witte wolken?
Vandaag klinkt het parool,
het schalt in alle talen.
Terwijl de meesters schaken
roept nu mijn hoofd om bloed,
mijn hart besloot te staken.

Golgotha

Gesprek met een ter dood veroordeelde

Het wachten is op bloed dat rijkelijk zal vloeien
als inkt van zwart gesmolten over groen, helder,
de nachtportier zal drenken in een zee van vuur,
het wachten is op bloed dat rijkelijk zal vloeien
als het zonlicht dan de klinkers zal weerkaatsen
die in hout gedreven zijn, waarmee het kloppen
wordt geschreven waar mijn aders van door
drongen zijn, verschroeiend manna dat zomaar
uit het inktzwart komt gevallen als uitwerpsel
van ingeboren overschot, verstikkend in dit helder
modderwater, O,
het wachten is op bloed dat goed dat bloedt dat
rijkelijk zal vloeien als tussen vingernagels de eelt
bezwijkt voor etter,  als wolken waaruit regen nog
niet druppelt maar die toch al zwanger zijn, O,
het wachten is  op bloed dat rijkelijk zal vloeien,
keer op keer, een periodiek van eb en vloed, als
inkt van zwart gesmolten over groen, helder,
de nachtportier zal aankijken en stamelend vragen
“lees mij dan”, laat mij weerklinken, zoals die spijkers
die in hout gedreven het kloppen zullen schrijven
waar mijn aders van doordrongen zijn, zoals
de nerven van dit blad waarop plots de schatkaart
zich ontplooit en daarop  dan de wegen zijn gebrand
die leiden naar het Paradijs, O,
het wachten, ja, dit wachten is als bloed dat eindelijk
kleur bekennen zal, de kleuren waarmee ik jou als
ademende regenboog omspande, die jou hemelhoog
tot manna puren, O,
je was verrezen en ik offerde mijn bloed dat zomaar
uit het inktzwart kwam gevallen als uitwerpsel van
ingeboren overschot, verstikkend in dit helder
modderwater, O,
het wachten kan niet langer, het bloed heeft mij
genomen, ingenomen, opgeslokt, nu ben ik dan
een inwerpsel dat niet te stelpen valt, een laatste snik,
tot bevend ik dan open voor de dagportier, O,
het wachten wordt hier rijk beloond want kijk:
nu, ja, nu vloeien wij samen in dit helder inktgordijn
van zwart gesmolten over groen, verlossing dan,
eindelijk opgelost.

(afbeelding: “Kristos”, Ferdinand Vercnocke, Olie op doek, 100 x 80 cm)

Kinderhand

Zoals het vliegen ademt op de wind
zo dragen vleugels de vingers van de
hand, het blad is onbeschreven nog,
maar in de palmen is voor eeuwig
elke levenslijn al ingeprent: de nerven
bakenen de ruimte af waarbinnen
groeien groen wordt. Zoals het vliegen
ademt op de wind zo schrijven alle aders
stromend hun verhaal: als alle harten kloppen,
in witte stilte dan moeten wij allen kleur bekennen.

(afbeelding: Lennart Nilsson)

Paaseiland

Hier sta ik stil met op mijn hand een traan tot ster
versteend,  een zandkorrel, gedragen door de wind
die aangespoeld  mijn huid vertelt dat  ver
van hier het bloed zal vloeien van een kind.

Nu droomt het nog, en woont in zandkastelen,
met tovenaars, met koningen, en keizerinnen,
met legers voor de poorten, om oorlogje te spelen,
hier kan het nog met schelpen het water overwinnen.

Ooit huisde het in een paleis, een rode oceaan,
geen vraag hoefde gesteld, geen wensen uitgesproken,
daar was er enkel vreugde, warmte en bestaan
in eeuwigheid, in tijdloos nu, gedragen, niet gebroken.

Ik wacht, ik voel hoe ver van hier wolken van zand
ten strijde trekken aan de horizon, de luchten beven,
schudden mijn broeders wakker, ik laat mijn hand
zich openen om aan de wind dit leven terug te geven.

Hier sta ik stil, en op mijn netvlies brandt,
voorbij de tijd,  het waakzaam antwoord van de zee:
“Ik laat mijn golven wassen op het strand
en ik keer terug, en neem de schelpen mee.”

(afbeelding:’Paaseiland’, F. Vercnocke, olie op doek 100/80cm)