Glazen Hemel

Zoals ik kijk naar jou, zo is het
kijken naar wolken achter glas,
de hemel laat zich slechts heel
even kennen, een ogenblik, de
tijd om al te wennen aan een
eeuwigheid. Stukje bij beetje
stapelt de ene wolk zich op de
andere, tot er een vreugdevol
herkennen komt, een helder
wederzien, een korte knipoog,
als om je vertellen dat je welkom
bent. En als je reiken wil dan
zal je alle glas wel overwinnen,
want het staat in zand geschreven:
zoals de wind met wolken speelt,
zo strelen golven vaak  het strand,
een nooit aflatend herbeginnen
tot alle kijken wordt zoals een
eeuwig minnen, zoals de wolken
stapelen, in een  hemel voor het
glas.

Spiegelbeeld

Waar zon schijnt groeit de dag,
de nacht is dan het spiegelbeeld
van ver vervlogen schitteringen
die tussen sterren dan getuigen
van wat in leven zichtbaar was,
waar zon schijnt groeit de dag,
de nacht wordt toegedekt, wie
wakker is aanschouwt een dieper
weten, dat alles wat zo helder
zichtbaar is dan oplicht in een
ander kleed, alsof je plots de
sleutel vindt van kasten die zich
gesloten hielden, dit is de toegang
tot de openbaring van de duisternis:
de zon laat groeien overdag en
laat de nacht het land besturen.

Spiegel

Liever dan dat ik vlucht voor wat er uit
de spiegel spreekt, kijk ik naar boven en
zie de wilde ganzen die in hun vlucht
gedragen worden door een wind waar
wij nog maar van kunnen dromen, en
hoger nog zie ik een ster, zo helder dat
zij zelfs in het zonlicht schittert, zo ligt
een lichtjaar voor het grijpen, je hoeft er
enkel naar te kijken en wat je ziet is
niet meer daar, maar hier, zoals een
zonnestraal die op je huid onzichtbare
verhalen schrijft, je voelt die warmte bij
het slapengaan en in je droom ontwaakt
dan het begrijpen. Liever dan dat ik
vlucht voor wat er uit de spiegel spreekt
kijk ik naar binnen en zie dan wat er
in mijn ziel ligt opgeslagen, het is een
oud verhaal, geschreven zonder woorden,
het wordt gedragen door die wind, door
een vervuld verlangen dat even daar
kwam wonen tot het mijn stemming vindt,
om te weerklinken en zo word ik dan
eindelijk geboren, ben niet meer hier,
maar daar, kan nu beginnen aan
mijn vlucht tussen de wilde ganzen, ik
vlieg en hoef niet meer te vluchten en
toch voel ik nog vaste grond, ik wandel
en ik word een regenboog, die spant
van hier tot daar, wakker nu kan
ik dan schitteren, een lichtjaar ver,
voorbij het kijken nu kan ik dan spreken,
ik zie je blik en word de spiegel waar ik
net voor vluchten wou.

Verdampen

Als alle woorden zomaar verdampen,
oplossen in zonnestralen, om dan in
wolken nieuwe verhalen te beginnen
die door de wind gelezen, op het gras
geschreven worden, en als ik dan ga
liggen, mijn hart laat rusten, al mijn
verlangens overgeef aan het zachte
strelen van de halmen op mijn huid,
als ik dan adem, word ik opnieuw
geboren, ik zwem in licht, ik denk
niet meer, ik hoor je stem, een nieuwe
taal, een hemels ochtendgloren, alle
tranen dan verdwenen, zonbeschenen,
ik hoef niet meer, als ieder woord
zomaar verdampt dan ben ik opgelost,
gedragen in een dieper weten: zo licht
wist ik het wel, ik was het niet vergeten,
wat door de wind gelezen wordt gaat
nooit verloren, je hoeft het enkel te
vertalen uit het strelen van de halmen
op je huid: welkom, welkom, je bent
de liefde van mijn leven.

Ma Ville Minuit

Ma Ville Minuit

Cette ville m’est inconnue
personne me parle
et quand je me retourne

il ya le vide
o quelle langueur
quelle passion
se cache dan tes ténèbres
je m’en doute

Cette ville m’est inconnue
personne me parle
et quand je me retourne là
je vois les chambres
mes demeures, mes amours
ils sont tous là
muets
leurs mains me semblent étranges

Cette ville m’est inconnu
personne me parle
et quand je me retourne là
il y a toi, ma vie
ma jeunesse perdue
je vois le lit
qui m’a jeteé dans cette ville

Cette ville m’est inconnue
personne me parle
et quand je me retourne là
il y a moi
O quelle langueur
quelle passion
se cache dans ses ténèbres
je m’en doute

Cette ville m’est inconnue
personne me parle
et quand je me retourne
je me retourne et là
il y a un ciel bleu
personne
que des nuages
quelle amour qui m’appelle
viens
viens
c’est moi

O cette ville m’est trés connue
C’est elle
C’est ce qui me fait parler

Musique: Robert Schuman, Scènes de la forêt, Opus 82, l’Oiseau-Prophète
Texte, voix: Bout Vercnocke

Peinture: “Apocalypse”, F. Vercnocke, 175cm x 150cm