Waar zon schijnt groeit de dag,
de nacht is dan het spiegelbeeld
van ver vervlogen schitteringen
die tussen sterren dan getuigen
van wat in leven zichtbaar was,
waar zon schijnt groeit de dag,
de nacht wordt toegedekt, wie
wakker is aanschouwt een dieper
weten, dat alles wat zo helder
zichtbaar is dan oplicht in een
ander kleed, alsof je plots de
sleutel vindt van kasten die zich
gesloten hielden, dit is de toegang
tot de openbaring van de duisternis:
de zon laat groeien overdag en
laat de nacht het land besturen.
Vruchtwaterwoorden
(deze tekst is het resultaat van 1 ononderbroken schrijfproces zonder pauzeren)
Als alle licht verdwijnt wat blijft er over? Een glazen hart. Liefde en doorzichtigheid. De spiegeling ontbreekt. Als alle spreken zwijgt dan kunnen wij verblind de klanken strelen die overblijven in een zee van stilte. En zij spreken. Als onbekende stemmen die we vlot herkennen en wij spreken mee.. Wij laten ons bewegen, gedragen als een druppel in de grote oceaan. En het ritme zwelt, zelfs wielen in de verte draaien mee. Wij wandelen op een bed van steen waarin verweven onze tenen houvast vinden. Ver weg bewegen de toppen en ze wiegen mee. Hier hoeft geen vuur, dat ademen we op tonen van een geurend dennenorgel. Naalden deinen op en neer. Waarom ontdekken wij de ruimte dan pas als de hemel klaart? Zijn wij dan niet geboren? De zonneherder drijft het wolkendekbed zwijgend verder. Waarom vergeten wij de stilte als de nacht ons dromen laat? Nog steeds beheerst het zwart de rode inkt. Dat maakt het schrijven donker. Waarom herkennen wij de kleuren pas als zij zacht samenspannen in een bloemenbed? Wolken drijven uit elkaar, zij drukken naar beneden en laten zo een opening ontstaan. Het zomert op het gras, ook daar huizen de klanken. Kinderen zingen, afgestemd zoals ze zijn op alle kiezelstenen. En alle hebben zij hun plaats tot onze zolen hen vertrappen. In de verte nog een vogelvlucht die langs de hemel klieft. Een rookpluim verraadt vuur. Hierin ademen wij en worden zo herboren. De mist trekt op, kleeft nog aan onze kleren, zoals een stromende rivier doorheen haar bedding sporen trekt, zo voelen wij de hartklop van dit ogenblik, en wij versmelten, wij worden zo verenigd. Dan pas kunnen wij deze woorden spreken. Dan pas ademen wij die ene adem en kunnen wij de ruimte meten, ons meten met het nu, het ene waarin wandelaars hun reis beginnen. Zij aan zij, gedragen door de blikken links en rechts, voelen de vrouwen het verlangen. En de klanken zwellen aan. Wat hebben wij opnieuw verloren dat wij hier zijn aangeland? Is het de stilte die ons welkom heet of zijn het de stromen van de wereld die hier nu hun smeltpunt vinden? Is het de schoonheid waar we ’s nachts van dromen? Of lijkt alles maar te zijn? Te zijn een deelgebied dat wij bezoeken moeten? Het is het ritme van ons bloed dat kloppend door betekenende aders loopt, voortgestuwd, zoals dit handgeklap ons opzweept. Jawel, hier heb ik naar verlangd, naar een weten dat reeds vóór het weten wist. Want hier nu is het opgaan in bekende warmte, is dichter komen, dichter totdat wij eindelijk het vuur ontdekken, het vuur dat ons verlichting brengt, het vuur waarin we eindelijk het rood herkennen, het rood waarin wij ons zielsblij, onvermoeid steeds wentelen kunnen, zoals de aarde rond de zon en rond zichzelf.. En zo worden de klanken dieper en vormen een vertrouwd patroon waarin ik delen wil. Waarom dan gooien wij de trossen los wanneer bekende klanken klinken, en waarom willen wij elkaar herkennen als het water klatert? Een schot weerklinkt, schrikken wij op? Helder is de nacht als stromend water waarvan wij drinken kunnen. De bron bevindt zich achter ons, zij laat zich vallen op haar hoogtepunt. Ten hemel rijzen haar zilveren stralen. Zij likken gretig wolken als zoeklichten die aftastend vormen zoeken, ze ook maken. Dan blaffen honden zoals mensen. Hun ernst verraadt verlangen. Zij draaien op een molen op en neer, zij jagen als hinnikende paarden. Zij wieken in het wild, zij malen er niet om. Zij zijn alleen met velen. Zij tellen letters, spreken de wartaal van het alfabet. Zij willen wonen in het ritme maar zijn vergeten dat zij de taal beheersen. Hun macht ligt voor het grijpen, hun kracht is als het water in haar kringloop. Zoals de tijd naar alle kanten kruipt tot wij verstrengeld plots de bomen niet meer zien. De fluitspeler dwingt ons tot verslaafden. Wij worden moe en leggen onze hoofden neer tot ritmische verstomming. Ik ga op zoek naar groen en zal het vinden. Kan ik op die manier de tijd nog achterhalen, vóór zijn? Ik was vergeten dat zij zich naar believen wentelt zoals wij woorden spreken. Zoals wij luisteren en voelen, zoals wij lief zijn voor elkaar. Zoals wolken uit het water stijgen, verder drijven, zo gevoed. En telkens weer, zonder dat wij kunnen onderscheiden horen wij datzelfde water, voelen wij diezelfde bron. Terwijl de wolken overtrekken houden de bladeren zich stil. Enkele muggen trekken luchtpatronen. Haar woorden liggen nu voor mij. Ik drink ze als het voedsel dat ik lang ontberen moest. Ze inademen brengt levenskracht. Een merel schikt zijn veren en mussen vliegen over. De wind speelt hier met klanken. Kleuren veranderen zoals de huid vervelt. Tussen het gras naar voedsel zoeken levert nieuwe buit. Bomen wuiven en tonen ons hun klederdracht. Zacht strelen de tonen van de wolken. Kinderstemmen zijn de kers op deze taart. Willen wij gedragen worden hoeven wij slechts terug te keren. Onze oren zijn vertrouwd met de hartslag van dit blijven. Wij schreeuwen slechts uit ongemak. Ik ben nu jong als nooit tevoren. Ik word herboren. Wat waait hier toe? Zijn het de bladeren nog onbeschreven of de ijle lucht op deze hoogte? Zuiverder dan wit kijken wij rondom ons. Wij zijn nog niet verloren, wij zijn gevonden in dit ogenblik. Luisteren naar stemmen is herkenning zoeken, luisteren naar wind erkenning. Veel verder klinken de stemmen van de nacht. Je ziet ze niet. Ze fluisteren. Zoals ik naar je luister als je dicht tegen mijn oor je adem legt. Ik hoor je hart en voel het snokken in mijn keel. Verder dan duisternis leer ik je kennen. Vertrouwde klanken lichten op terwijl een nachtegaal de stilte opsmukt. Heb je die wel al eens gehoord? Hij zingt alleen voor jou. Zacht zoemt de nacht nu. Het is windstil, ik kan gaan liggen in een bed van rozen. In de naam der liefde. Woorden vallen neer om mondjesmaat geplukt te worden. Op bloemen strijken vlinders neer. Zij hebben in uiterste precisie zonder nadenken de juiste knop gekozen. Hun geur draagt ver. In blauw verbinden zij zich met de lucht rondom. Zij ademen. Hun lichamen dansen sierlijk met de hemel op de klanken van de wind. Het is alsof zij zweven. Onszelf kunnen wij niet verraden. Wij rukken op als speerpunten, ondervinden hinder en wij keren terug. Een koele bries streelt onze schouders. Hoe heerlijk is het dan de mantel van de liefde daaromheen te leggen. Vanuit de leegte putten wij het water. De hemel wordt gekleurd met bloemen en boven onze hoofden ontvouwt zich een palet van kleuren. Regenbogen vallen als oplichtende druppels. Wij plukken een pakket van dromen. Verdwalen hier is afdalen in waterputten. Wij naderen beginnen dat geen einde kent zoals in zwoele zomernachten de winter soms de kop opsteekt. Op uitgeschreven paden is het makkelijker wandelen maar de verwondering ontbreekt. Zullen wij kiezen voor het ongewisse? De borden zijn hier volgeschreven. Het krijt vervaagt naarmate wij dan dichtertreden en iedere stap verheldert duisternis. Vuur verteert de laatste resten. Wij voeden het met wat nog overblijft van gisteren. Morgen is veraf. Wat blijft er over als vandaag de spreeuwen zingen? Onthoofd zieltoogt hij, zijn vlucht gekraakt. De laatste tonen klinken in de ochtend. De geur van wierook begeleidt gepaste rituelen. Wij kunnen afscheid nemen. Rondom de open haard dansen wij in vreugde voor het nieuwe leven. Verrijzenis wordt nu gevierd in transparante spiegels. Wij kantelen het glas en lezen. Wij horen woorden die over donderslagen klinken. Het wachten is hier nu op groen. Gewassen met het water is het nauwelijks van wit te onderscheiden. Als inkt onzichtbaar welt het op uit diepe bron. Wij schrijven over onze zielen en de zon draagt onze letters. Zoals het gras gewillig meewaait, zo streelt wind de korenaren. Een heen en weer bewegen op het ritme van de ademhaling. Klokken luiden, delen dagen in. Over akkers, over weiland roepen zij tot inkeer. En daarom luisteren wij. Als naar verhalen die van verder komen. Wanneer proberen wij in dit vertellen op te gaan? Waarom dragen onze oren deze woorden? Het vieren is een groepsgebeuren. Als ik herkennend met mijn ogen lees worden mysteries laag na laag ontraadseld. Het zonlicht wijst hierin de weg. De liederen die gezongen worden deinen op en neer. Afwisselend draaien golven om te keren. Zij leggen zand neer en dansen op de vloedlijn. De schatten die zij achterlaten liggen voor het rapen. De kleuren hebben nu hun rust gevonden. Arm in arm bevolken zij de regels. Wat lezen wij als alle brillen zijn vergeten? Als het denken eenmaal achtergelaten vrijheid biedt om vormeloos de wereld te aanschouwen? Dan blijven enkel woorden over die als nerven aan de herfst betekenis hebben prijsgegeven. Dan begint het groeien van een nieuw verhaal. Dan kunnen wij vertellen in de taal die allen spreken. De misverstanden zijn plots uit de weg geruimd en rijpe vruchten blijven over die alle honger stillen. Niemand wil méér om te herkennen, niemand wil nog weten wie als eerste dit bedacht. Want alles is weer nieuw geworden, alles is de eerste keer, alles groeit en bloeit, niets nog is te houden. Rust vangt aan. De dag heeft met het licht de lakens naar zich toegetrokken. Nacht wordt verwelkomd als een verre vriend. Lichamen kruipen naar elkaar. Zij zoeken warmte en bescherming. Zij willen thuiskomen. De tijd wordt afgelegd zoals de dood. Een glimlach op de lippen werkt geruststellend. Wind kan enkel binnenglippen langs een kier. Geluiden zijn gedempt. Oogleden hebben alle moeite om de duisternis nog even voor te zijn. Waarom valt alles in een ritme dat geen dag verdragen kan? Ligt hier het antwoord van het licht dat ongevraagd zich plots heeft teruggetrokken? Is het daarom dat klokken verder luiden en vager steeds hun klanken laten doven? De antwoorden zijn snel gevonden als het denken evenzeer wordt losgelaten. Tussen de sterren houdt de aarde vast en bindt zo samen tot dit oude weten. Het is de kennis die vertrouwd klinkt in de open ruimte. Hier wandelen wij in deze zee van stilte. Slechts af en toe klinkt dan het verre fluiten van een vogelvlucht. Als zij zijn neergedaald zoeken zij voedsel, zeker van hun stuk. Zo kunnen wij verhelderd worden, als wij het zonlicht breken. Dan volgen wij de stralen in dit nieuwe licht. Dan zullen wij de woorden vinden die voor onze handen liggen. En als dan hoog de nacht intreedt verdwijnen onze angsten. De schoonheid van dit ogenblik zal zich in alle stilte openbaren. Het licht zal schijnen door een waaier van verborgen zonnestralen. De stenen zullen eindelijk hun rust bewaren, ongemoeid.
Zoals
Zoals je luistert, spreekt en voelt, zoals
je kijkt en lacht, zoals er tranen zijn, zoals
je armen en je handen, zoals je vingers
zachtjes en zoals je adem en je hart,
zoals je bloed doorheen je aders, zoals
je moeder en je vader, zoals je bent en
wandelt in het gras en op het water, zoals
je aan de hemel schittert en zoals je
in enkele wolken woont, je langzaam
omdraaien zoals dat uit je schaduw blijkt,
je zwemmen in een bed van bloemen en
zoals je geur nu door de kamer danst, zoals
je zitten onbeweeglijk, je fluisteren zoals de
nacht, stil, donker zo aanwezig, en je schijnen,
je verlichten doorheen sluiers, zoals je zweven,
je fladderen rond alle vlinderbomen, O, zoals
je bent, zo ben je nu, zo wakker hier in mij.
Nieuwgeboren
Wie ben je, waar ben je, wat ben je?
Je spreekt in zoveel talen, ik herken
je niet, als een kameleon sluip je
mijn netvlies binnen, nu eens denk
ik je te kennen, zelfs te herkennen.
Wie ben je, waar ben je, wat ben je?
Ik denk niet meer, ik trek me terug
net als een vos, een salamander,
zal ik mijn ziel verkopen of laat
ik alles dansen, laat ik alles wiegen
evenwichtig balanceren op het puntje
van mijn tong? Terwijl je spreekt kan
ik niet anders dan dit woordenspel
miljoenen malen te herhalen tot ik
je vind, tot je doorzichtig wordt, een
sfeer, een heilig teken, zoals je naakte
huid, waarop dit schrijven zichtbaar
wordt, getooid, versierd. Wie ben je,
waar ben je, wat ben je? Man of vrouw,
hard of zacht, ijs of water, en kijk ik
in je zal ik dan liefde vinden, een
nieuwgeboren ster, of zal een lichtjaar
nodig zijn om je toch aan te raken?
Was het een toevalstreffer die je hier
bracht, of toch een wonder, een vrucht,
zoals de volle maan die deze nacht
verlicht, een zingend bidden, knielend
voor de zon die zich heeft teruggetrokken?
Wie ben je, waar ben je, wat ben je?
Nu alles is gezaaid is het slechts wachten
op een nieuwe lente, raak me aan, voel
me, wees nu mijn kind en wordt geboren.
Ogenblik
Hoe komt het toch dat je in 1 verhaal
blijft rondzwerven, en in een ander
dan al na 1 ogenblik verdwenen bent?
Het is zoals met bomen, wind en
herfstblad, of met moederschoten
waarin het ene woord blijft wonen
en het ander zinnen vindt, maar beide
toch blijven verlangen naar de moedertaal.
(geïnspireerd na het zwerven in http://dunyahenya.wordpress.com/)






