Verhalen

Suskewiet 001

Waarover wil je me vertellen?
Waarover ga je me vertellen?
Ik luister naar hoe je blijft vertellen
over gisteren, morgen, vandaag,
zelfs over Nu,
ach, vertel me liever over Liefde,
zoals die overloopt van Hartelijkheid,
van grenzeloze stilte die zo vruchtbaar
is als helder water,
die ieder greintje medelijden met jezelf
doet smelten als voor de zon een sneeuwvlok
En toch, ik hoor hoe je vertelt
over morgen, gisteren, vandaag, zelfs over Nu,
wij kijken elkaar aan,
vinden we daar die Liefde?
Vinden we daar de fijnafstemming onzer Zielen?
Ach, ik hoor je praten over
morgen, gisteren, vandaag, zelfs over Nu,
ik hoor het niet,
ik voel het niet,
enkel de wind die tussen ons zijn weg zoekt,
die kan ik zien,
die kan ik voelen,
mijn huid die aan het trillen slaat,
hij brengt verhalen, O, die verhalen
die overlopen van de Hartelijkheid
die enkel in een ogenblik te vinden is
als je je ogen sluit.

afbeelding: Belfort, Brugge

Dragen

Lippen

Zal ik je vragen om dit woord te dragen,
de letters één voor één in uiterste
voorzichtigheid over je lippen laten
vloeien, zoals golven over zand, waar ze
dan worden opgenomen en hun warmte
laten één worden met wat in zee was
opgeslagen, zal ik je vragen om dit woord
te dragen, het zo te laten drijven dat je
je geborgen voelt en veilig, zoals het schip
waarop ze werden uitgesproken, wetend
dat de haven wacht om thuis te komen,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
nog voor het zacht wordt uitgesproken,
tot het weerklank vindt, een klankbord,
zoals golven op het strand in zand, de
korrels in je hand die wegen zoeken,
kegels maken op het wateroppervlak,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
niet meer klagen, stilte wagen waarin
alles dan kan uitgesproken worden, o
zo dit wonder zich te laten openbaren,
zal ik je vragen om dit woord te dragen,
ik durf het bijna niet te vormen, het is
zo oud, het werd met mij geboren in
de zee, zal ik je vragen om dit woord
te dragen, ben je er om mij dan daarin
verder te vervoeren, want het voelt
alsof de grond verdwijnt, alsof ik weg
zal zinken, zo verdrinken, zal ik, zal ik
je vragen om dit woord te dragen zoals
dit papier waaraan ik dit verlangen
toevertrouw, zal ik je vragen, vragen
om mij niet te laten vallen, achter te
laten tussen al dit wit? Zal ik je vragen
samen met mij dit te wagen, zal ik je
vragen of het goed is, of het veilig is
de haven te verlaten, zeg het mij, ik ben
de taal vergeten om het uit te spreken,
er resten enkel tranen en jouw ogen om
de mijne te ontvangen, zal ik het vragen 
en als ik het dan vraag zal ik dan nog
bestaan, of zal ik verder gaan, zal je dit
woord dan meenemen, zodat het aan de
horizon verdwijnt, of zal je met jouw
armen reiken naar de mijne, zoals die
korrel in het zand, daar door de golven
neergelegd om nooit meer te verdwalen,
en daarin geschreven en gebrand jouw
woord dat ik volmondig op de tong nam
om het met jou te delen, o, zal ik het
vragen, zal ik het vragen, dat je mij dan,
al is het maar voor even draagt, tot onze
lippen elkaar net niet raken en toch
verenigd zijn?

Ravijn

RockWomb

De vlakte waarin mijn ogen ruimte vonden
grenzeloos, ligt plots achter mij en O,
voortdurend zijn het nu mijn schouders
die zich openrijten langs de meedogenloze
wanden van dit donkere ravijn waardoor ik
strompel, als geworpen, terwijl de hemel,
hoog, slechts tot een dunne streep geworden is,
zelfs helemaal verdwijnt. Mijn handen vinden
enkel stenen, klamme duisternis en kilte, het is
de zwarte engel die mij hier tot gids is, en opent
zich de kloof dan is het om slechts even later
donkerder mij in te klemmen. En ik besef:
hier werd ik toe geboren, om terug te keren
tot dit pad dat ik vergeten waande, waarvan ik
het bestaan ontkende, maar dat toch evenwijdig
langs mijn leven liep. Ik struikel, en proef
de hitte van mijn bloed dat me bedwelmen wil.
Is dit het einde van de reis, de prijs die ik
betalen moet? Waar is de veerman en het pont,
waar de rivier en waar de overkant?
Ik richt me op, mijn laatste woorden als een sleutel
leg ik als pasmunt in je handen en ik geef me over.

Verdriet

 

waterbrug3

Terwijl ik wacht herinner ik
de tranen die in je ogen diep
verborgen, nauwelijks merkbaar
als littekens getuigen van een oud
verdriet, zoals je leunend even
stilstaat op een brug om aan
de voet van bergen hoog
de sneeuw te schouwen die ooit
zal vloeien om tot rivier te worden
en dan te weten dat dit water stolde
uit de wolken rond de toppen,
en dat ze het verhaal vertellen
over de zeeën waarin ik tranen
liet, en zo, terwijl ik wacht,
herinner ik je ogen en daarin
mijn oud verdriet.