Kijk naar buiten, je gelooft niet
wat je ziet. Op het gras tussen
de klokjes staat een feniks en
hij kijkt naar jou. In de verste
verte is er geen vuur te bespeuren,
maar je proeft het branden van
je hart. Als een verloren vuurtoren
knippert zijn ene oog naar jou, hij
hangt tussen de halmen, wenkt
met een verhaal waaraan geen
weerstaan helpt. Kijk naar buiten
en je gelooft niet wat je ziet. Voor
verre wolken hangt een feniks en
hij brengt het vuur naar jou.
Woord voor woord branden zijn
tranen even zoveel diamanten, hij
hangt ze als een parelnet over
je schouders dat je verwelkomt
in dit paradijs op aarde. Kijk,
kijk naar buiten en je gelooft
niet wat je ziet. Eén oogwenk en
hij vliegt weer op, verdwijnt en
laat je achter met zijn vuren
mantel waarvan je nu het branden
voelt. O feniks, lieve boodschapper
die parels strooit als hemels
manna, waar ben je nu? Ik
word verteerd, ik kijk naar buiten
en ik zie de druppels op de halmen
en daarin weerspiegeld zie ik
jou.
Geweten
O ja, ik weet dat je er niet meer bent,
geen afdruk meer, geen indruk die nog
overblijft, zoals een sneeuwvlok ben je
al gesmolten, zoals mijn hart nu smelt
voor jou, zo blijft er niets meer over,
je woorden ver weg uitgestorven, je
lippen als versteend gebleven aan de
horizon van waar de ogen zoeken naar
een stip die hopelijk zal groter worden,
o ja, ik weet dat je er niet meer bent,
geen afdruk meer, geen indruk die nog
achterbleef toen alle deuren sloten,
zoals de dichter zwijgen moet, zo valt
de regen, de wolken willen het niet weten,
zelfs al zeg je: maar ik zie je graag,
we willen het niet weten, we willen
het niet weten, we willen niet geweten
hebben dat alle regen samensmelt om
ons verdriet te dragen, en o ja, ik weet
dat je er niet meer bent, geen afdruk meer,
geen indruk die nog overblijft, maar dat
wat samensmelt wordt niet vergeten,
dat wat geweten is gemeten, het wordt
gewogen en gewikt, tot enkel nog de stilte
achterblijft, wat daarin dan wordt
aangewezen zal zo een afdruk zijn,
de indruk van geweten, zodat ik weet
dat je nog hier bent, in dit gesmolten land,
verdronken, niet meer zichtbaar voor het
blote oog, en aan de horizon enkel
de afdruk van geweten, daar staan veel
woorden om de liefde te vergeten,
slechts weinig zijn er nodig: een indruk,
afdruk, maar ik zie je graag, ik heb het
altijd wel geweten, dat om de droom
te zien je eerst maar weer vergeten moet,
dus sterft de dichter, alles wordt toegedekt,
raak me niet aan, betreed dit ongerept
gebied slechts als je spoorloos bent,
geen indruk achterlaat, geen afdruk,
gebruik geen woorden, adem niet en
zwijg in alle talen, want nu ik weet dat
je er niet meer bent zal ik versmelten,
knikken, stikken, snikken en gestolde
tranen achterlaten, daarmee je handen
vullen, en ooit, als alles wat geweten
is vergeten en als de dichter zwijgt
blijft nog dit grafschrift over, versteende,
afgedrukte, ingedrukte lippen, maar
ik zie je graag.
Gavere
voor P. en M.
Wachten tot de wind over het water
dan verkleurt, tot golf wordt, langzaam
opzweept tot aan kusten ogen zich dan
openen om deze geuren te ontvangen,
wachten tot de wind over het water
dan van kleur verandert, wolk wordt
en zich over golven buigt om zee te
worden, één te worden, regenboog
die alle hemels overspant, wachten
tot de wind over het water dan
verkleurt, het is een langzaam wachten,
een geduldig vouwen en ontvouwen
tot vleugels zich over de adem plooien
en dan opnemen, oplichten tot helder
weten, tot doorzichtigheid, tot
aangespoeld het water borrelt uit de
bron die helderziendheid predikt voor
de pelgrims van de hoop, wachten tot
de wind over het water dan dit water
zegent, alsof het wolken regent, damp
geworden golven die nu over al dat
wachten heen een schitterend schijnen
werpen, oogverblindend, O, en kijk
hoe dan dit kijken door alles heen de
waarheid toont, alle verdriet en pijn
plots weggespoeld, iets nieuws, de
wind legt bloot wat ooit in daglicht
onmiddellijk werd gesmoord door
molenstenen, door hebzucht, haat
en pest, gedrenkt in bloed, O ja, het
is iets nieuws, het wachten waard,
het wachten tot de wind over het
water dan verkleurt, en zie: plots
baadt alles in groen Licht, het Licht
dat wordt geboren als de Liefde
oogverblindend zegeviert, zoals dit
Kind dat haver aanbiedt, haver aan
een ezel, langs een haven aan de
Gaverbeek.
16-05-2010, Havenkaaien Brugge + Café/Restaurant “De Rotse”, Sint-Christianabron, Dikkelvenne
(geïnspireerd door de bloedige Slag bij Gavere )

Header afbeelding via Google Streetview
Taaldokter
Verkracht
Wij speelden in de tuin en gooiden hout
over de burenmuur. De Japanse kerselaar
was uitgebloeid, enkel op het gras lagen
de sporen van zijn pracht en kracht als
een herinnering aan zoete geuren en de
kleuren van ochtenden na nachten van
stil verlangen en verdriet. Je kon hem nog
herkennen aan zijn stam, hij droeg geen
vruchten, zijn soort licht enkel op, en kent
de vreugde van het dragen niet. Wij gooiden
hout over de burenmuur, wij speelden in
de tuin met vuur. Wij raapten resten op van
witte berken die we verzamelden als kraaien
die nesten enkel bouwen om ze daarna te
vernielen. Het sap dronken we nietsvermoedend
dat was ons zo verteld. En hoog laaide het
vuur ten hemel om even snel weer op te lossen
in de adem van het ogenblik. Wij speelden
in de tuin en gooiden hout over de muren,
wij lachten onbedaarlijk, ongevaarlijk leek
ons spel. Het vuur bleef smeulen en de zomer
kwam. Tussen het gras plukten we witte
klavers van de hoop die we tussen de bladen
droogden waarin verteld werd over verre
uitgestrekte stranden waarover vele zonnen
zacht hun stralen legden om ons te bedekken.
En toen we in de winter bladerden herkenden
we hun afdruk niet, enkel de witte vlokken
die in de kom van onze handen weigerden
te smelten. O, zo koud en kil, wat werd het
stil, verstijfd zoals het hout over de muren
van de buren, zoals de tuin waarin het
spelen nu verdwenen was. Het vuur bleef
smeulen en de lente kwam. Wij wachtten
dan de witte kerselaar, maar hij bleef
sprakeloos, tegen de blauwe luchten schreef
hij een uitgebloeid verhaal, vermoeid en
doodgebloed. Wij speelden tuin en gooiden
hout over de burenmuur, verdwaasd







