Vondeling

Je ogen lezen is als water putten uit
een diepe bron: onuitputtelijk stromen
verhalen die geen einde kennen noch
begin in talen telkens nieuw. Je ogen
lezen is als wolken volgen die de wind
vooruitgaan: over elkaar schuiven ze
de hemel langs, ze drijven op een spel
van zonnestralen. En daarin kan ik
wonen, al je kamers zijn vertrouwd,
zelfs blindelings vind ik de weg nog
voor ik slapen wil. Je ogen lezen is
de nacht vergeten , vergeten dat er
weten is. Je ogen lezen is verdrinken
in een oceaan van vreugde, is in
leegte zwemmen, is je armen zoeken
en er vinden wat onvindbaar is. Als
ik je ogen lees ben ik een vondeling.

Verwachting

Kinderen dragen in hun hart nog alle dromen,
gekoesterd door de warmte van zuiver verlangen,
ze zijn nog open, onbevangen, kwetsbaar, zoals
de zon, die altijd schijnt  niet enkel Licht geeft
als de dag opduikt, maar ook tijdens de nacht
nog helderheid kan tonen wanneer  de maan,
haar tweelingziel, zich aan het firmament komt
tonen. Zo is het ook met ons, die ouder dan geworden,
datzelfde kind nog dragen, open, onbevangen,
kwetsbaar, en het vaak pas vrijuit laten spelen als
we vertrouwen vinden, warmte of een troostend woord,
als we ons openstellen voor oprechte uitnodiging,
een koestering. En pas als we een veilig onderkomen
kunnen bieden aan het ons toevertrouwd verlangen
hier onze dromen uit te leven, zoals  de maan
aan zonnestralen, dan zal er vreugde zijn, dan
zal  vervulling zijn gevonden van onze diepste
wens, te bloeien als een kind dat welkom  is, zoals
een bloem die zich pas open plooit bij het ontvangen
van het Licht omdat ze dat verwachtte.

Overdonderd

Heel in de verte hoor ik hoe je stem over de vlakte zweeft,
nog slechts verlicht door late zonnestralen.
Je ogen zijn nog niet herkenbaar,
je haren waaien voor je uit
als wind die door de korenvelden wandelt.
Heel in de verte zie ik hoe je stralend dichter komt
zoals van sterren je enkel voelt wat achterblijft.
Je handen zwaaien al,
ze wenken naderbij
en ik verwelkom de zwoelte van de nacht,
terwijl je al je  eerste druppels uitstrooit op mijn hunkerende blik.
En dan, plots ben je daar,
je stormt mijn adem binnen
als een stroom die niet te stuiten valt,
je overweldigt me in al mijn vezels,
mijn ogen schieten vuur,
mijn oren worden overdonderd door je stem,
ik kan niet langer in dit lichaam blijven of ik word verteerd.
En als je weer gaat liggen dan hijg ik nog na,
een  vrede maakt zich  meester van dit ogenblik,
heel in de verte zie ik hoe je wolken sluiten,
je ogen vallen toe,
je haren rusten  op je schouders,
ik zie hoe ze je stem bedekken,
en over korenvelden valt nog laat wat sterrenstof,
dat op de halmen achterblijft,
zoals je regendruppels zijn ze  uitgestrooid,
en verder, steeds verder  zie ik je  verdwijnen,
en blijf ik zachter achter,
stil.

Wolkenspoor

De dagen hollen mij voorbij, het is
een wedstrijd die ik nooit kan winnen,
want hou ik bij of haal ik in, ontglippen
ze alweer, alsof je de liefde van je leven
wilt beminnen, zo helemaal voor jou,
van jou alleen

De dagen hollen mij voorbij, het is
een wedstrijd die ik nooit kan winnen,
een oorlog waar bij voorbaat vaststaat
wie de banier van de gewonnen veldslag
dragen zal, wie fier kan zwaaien op de
heuveltop over alles wat gevallen is en
over allen die nog rechtop de ogen richten
naar het hemelvuur

De dagen hollen mij voorbij, het is
een wedstrijd die ik nooit kan winnen,
alsof de zee je opneemt dan weer neerlegt
op het zand, waar je dan aangespoeld maar
wachten moet op jutters die je schitteringen
bergen willen, want wie voor overwinning
strijdt zal zegevieren

De dagen hollen mij voorbij, het is
een wedstrijd die ik nooit kan winnen,
het is in sporen lopen, getrokken voren
waarin voeten snijden, ploegen,
worstelen om het aas te grijpen dat ver
vóór de horizon verduistert

De dagen hollen mij voorbij, het is
een wedstrijd die ik nooit kan winnen,
want wat aangeleerd ligt opgeslagen
is slechts vluchtig, wat echter ingeboren al
aanwezig is zal blijvend duren, daarheen
het spoor te volgen is zoals naar wolken
kijken, daarin je leven verder schrijven is
wat jou wordt gevraagd

De dagen hollen mij voorbij, het is
een wedstrijd die ik nooit kan winnen,
de dagen hollen mij voorbij, alleen dat
wolkenspoor, O ja, dat wolkenspoor dat
Jij daar met onzichtbare inkt in Liefde
hebt geschreven, mij ingeprent,
blijft duren.

Het Huwelijk

Zeg mij: waar is het dat de liefde  woont,
als je het weet zeg het me dan.  Ik kijk nu
naar de tijd als naar een verre vriend
 die woont over de zee, ik kijk nu naar
de wind die waait over het water en ik
vraag me af: waar is het dat de  liefde
woont? De wijzers draaien steeds maar
rond en torenklokken lijken wel op bellen
van zovele schepen, toch is er maar 1 schip.
Het vaart onder de wind over de zeeën
en wij varen mee, en toch, kan je mij nu
vertellen: waar is het dat de liefde woont?
Er is geen land in zicht en alle stuurlui
zijn verdwenen, toch vraag ik je: waar is
het dat de liefde woont? Een zeemeeuw
heeft het land verlaten en nestelt op het
dek naast jou onder de wind en hoog
ontwaar ik vele zonnen. Dit schip wordt
nu gedragen door een zee van stilte.
Terwijl ik kijk nu naar de tijd als naar
een verre vriend en naar de wind over
de zee, terwijl de wijzers steeds maar
cirkelen , neem ik het roer en kijk je
in de ogen. Hoe mooi zie ik het wonen
van de liefde daar, hoe mooi het huis
waarin ze toeft, en deze boot vaart
eindelijk de koers waarvan ik weet: hier
is het dat de liefde woont, ik hoor je
woorden nu, kompas en liefde worden 1,
wij zullen eeuwig deze zeeën zijn.