Paaseiland

Hier sta ik stil met op mijn hand een traan tot ster
versteend,  een zandkorrel, gedragen door de wind
die aangespoeld  mijn huid vertelt dat  ver
van hier het bloed zal vloeien van een kind.

Nu droomt het nog, en woont in zandkastelen,
met tovenaars, met koningen, en keizerinnen,
met legers voor de poorten, om oorlogje te spelen,
hier kan het nog met schelpen het water overwinnen.

Ooit huisde het in een paleis, een rode oceaan,
geen vraag hoefde gesteld, geen wensen uitgesproken,
daar was er enkel vreugde, warmte en bestaan
in eeuwigheid, in tijdloos nu, gedragen, niet gebroken.

Ik wacht, ik voel hoe ver van hier wolken van zand
ten strijde trekken aan de horizon, de luchten beven,
schudden mijn broeders wakker, ik laat mijn hand
zich openen om aan de wind dit leven terug te geven.

Hier sta ik stil, en op mijn netvlies brandt,
voorbij de tijd,  het waakzaam antwoord van de zee:
“Ik laat mijn golven wassen op het strand
en ik keer terug, en neem de schelpen mee.”

(afbeelding:’Paaseiland’, F. Vercnocke, olie op doek 100/80cm)

Wiegelied

Kom, kom hier, kom bij me
ik neem je in mijn armen kind,
voor jou zing ik dit wiegelied,
zoals toen je nog in me woonde
we samen waren, onafscheidelijk,
verbonden door een levenslint.
Kom, kom hier, kom bij me
ik neem je in mijn armen kind,
met jou wil ik dan bidden kind,
opdat je lippen enkel woorden
kussen waaruit Liefde spreekt,
zoals je tot mij sprak toen je
nog in me woonde.
Kom, kom hier, kom bij me,
blijf nog even, zodat we samen
zweven tussen sterrenwolken
en dit alles glimlachend
aanschouwen, heen en weer
en heer en weer op golven
van dit vredig samenwonen.
O, kom, kom hier, kom bij me
kind, O, blijf nog even, laten
we drinken van elkaar en
schenken, een geschenk dat
deze dag als edelsteen markeren
zal, haar Licht zal schitteren,
herkenbaar zal je zijn, altijd
bij mij, ik zal je altijd vinden.
O, kom, kom hier, kom bij me
kind, want als ik je dan vind
zullen mijn tranen van geluk
dan schitteren naast jou als
sterren die door wolken
priemen, getallen opgeteld
verenigd, opgelicht verlicht.

Vruchtwater

 

 

 

 

 

 

 

 

   Laten we lief zijn voor elkaar
want waarheid is soms ver te
zoeken, laten we zijn zoals water
voor elkaar, laten we water
zijn, samendruppelen en stromen
in de bedding van de zee,
laten we vloeiend vloeibaar
zijn , laten we alle  tranen
smelten, laten we stollen in
kristallen en schitteren als
sterren waarvan het uitgedoofde
licht ons nog bereiken moet,
laten we  snel vluchten voor
het zonnelicht of we verdwijnen,
laat dan de nacht zich langzaam
over ons ontvouwen, zoals het
wassend water zandkorrels 
verovert, één na één, en als we
dan dit laten lossen, zullen we
dan lief zijn voor elkaar, zoals
het water waarin we geboren werden.

Hier

Waar ben je nu?
Waait wind wolken weg
ontplooit er zich een dieper
weten: vanuit een blauwe
diepte spreek je, zoals je
nooit gesproken hebt, en ik
luister, je woorden dragen
verder dan mijn lippen ooit
vermochten, en zo fluister
je mijn naam, je schrijft
in letters die alle wind
weerstaan: je blijft
bestaan

Zuidenwind

Vanuit het Zuiden waait een wind
waarin ik alle tranen voel die zich
op trossen nestelden in de armen
van de zon, er zijn geen woorden
nodig om verdriet te proeven dat
zich zacht over de lippen plooit
en daar verzoening smeekt

Vanuit het Zuiden waait een wind
waarin ik alle blikken lees die met
gelijke munt betaalden, die om
verzoeting vroegen en smolten als
de druppels die op trossen, nauw
zichtbaar, toch hun afdruk achter
lieten, vlindersporen, wiekend
verlangen, getuigen van aanwezigheid

Vanuit het Zuiden waait een wind,
het is de Zuidenwind die mij van
antwoord dient, hij zingt me aan
en ik zing mee: kom, kom snel, ik
heb je roep gehoord, en daarin
staat de Liefde pal, onwrikbaar,
niet te stuiten, zoals ik waai zal
ik je dromen dan bewolken, zodat
in alle trossen nu jouw Hartenwens
zal schijnen

O Zuidenwind, waai verder, wees
mijn herder en dan zal ik gedragen
worden, gooi alle trossen los, om
thuis te komen in het Land van
Oorsprong.