Lokroep

Want wat in ziel wordt opgevangen is,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

Buiten huilen, roepen schreeuwen daar,
daar en je kan er niets aan doen,
je kan, je kan er niet aan raken,
je kan, je kan er niet om heen,
je kan, je kan er, je kan er niet, 
er niet van slapen,
je kan, je kan er niet van waken,
want buiten, buiten huilen, roepen schreeuwen,
en je kan het niet verhelpen
want bedwelmend,
want verdovend,
tot je oren tuiten,
het is een wakker slapen buiten,
van alles wat zich binnen dan heeft opgeslagen,
en daar,
net daar verzameld tot een overlopen
tot een laatste druppel
die zich vallen laat op al je wangen,
al je verlangen huilt, vecht, wilt troosten
en roept schreeuwen,
daar, een niet te stelpen stroom,
en daar, daar liggen al je woorden
ze liggen daar, naakt,
o, hoe achteloos hebben je lippen, o,
hoe achteloos hebben ze alle betekenis ontmanteld,
verteerd
en daar,
net daar dat omhullend en beschermend weten
schijnbaar meedogenloos laten verdampen,
ja, buiten, buiten huilen, roepen schreeuwen
in een niemandsland,
en er is geen antwoord meer,
alle echo’s zijn verstomd, en je vaart verder,
wat draagt je nog,
wat vraagt je nog
of dit kompas de uitgeslagen koers aanwijst
of doldraait als een windroos
die niet meer weet welke wind te vangen
om dit verlangen in te klanken

Want wat in ziel wordt opgevangen is ,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

Winter, zomer, herfst of lente,
is het een roeping of een lokroep,
verwachting of verleiding,
is het vervulling, meer of minder,
is het versmelting, vereniging, 
of is het slechts een oud verdriet,
dat plots de uitweg heeft gevonden
om als een lavastroom alles te bedekken
een niets ontziende niet te stuiten opwelling
die alles wat het op zijn weg vindt meedogenloos versmacht
tot enkel rook nog over blijft die alle horizonten hult in duisternis,
waar zelfs de zon geen opening in vindt
om licht te brengen in dit vertwijfeld hunkeren,
dit heen en weer geworpen worden?
Is het een roeping of een lokroep?
Winter, zomer, herfst of lente, een luisteren of fluisteren?

Want wat in ziel wordt opgevangen is,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

O, en plots,
in niemandsland ontwaakt een nieuwe melodie,
ze trilt op golven  van een eeuwig duren,
ze jubelt in de nerven van mijn ziel
die langzaam slechts geheimen prijsgeeft,
die blad na blad en mondjesmaat het weten openvouwt in stilte,
O, waarlijk,
het is een onbekend seizoen,
een opening zoals tussen een ademtocht
die van ophouden niet weet,
het is, het is,
en naar de hemel reikt een witte boom,
niet om aan te raken maar om aangeraakt te worden,
zoals de winter en de zomer, lente en de herfst, slechts golven zijn
die heen en weer, en meer en minder,
vervuld of hunkerend, hoog of laag,
altijd een bedding en een oever nodig hebben,
een strand om aan te spoelen,
een rots om op te breken,
nu hoor ik ook geen roeping en geen lokroep meer,
het oud verdriet kan zich te ruste leggen in dit witte weten,
want het is nu opgelost,
en in die samensmelting der seizoenen
voel ik hoe jij een druppel op mijn wangen achterlaat,
die daar niet opdroogt maar begint te stralen,
een zonneoog waarin dit nieuw seizoen dan bloeien kan,
O nee,
je zingen is geen dwingen

Want wat in ziel wordt opgevangen is ,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

Het zijn dat tot zich neemt en toch niet toeneemt,
dat voeding voedt,
en dan gevoed zoals in ochtenduren, ontmoet
om dan in avonduren te ontwaken,
en ziet,
en ziet zelfs zonder,
zelfs zonder groeit en bloeit dit zonderlinge zijn,
en wast, neemt af,
zoals de zee in oceanen en oceanen in de zee,
zoals de druppel in het water,
het water in  diezelfde druppel,
steeds in en om en door en over alles,
alles heen en weer,
nu binnen, dan weer buiten,
O ja,
en in en uit, zo jij en ik, zo zon en maan,
zo ademend, zo één in twee,
een steeds opnieuw en onophoudelijk beminnen
van wat nu zichtbaar zich onzichtbaar nestelt
in de stroom van deze tegenwoordigheid,
zich fluisterend zomaar ontplooit

Want wat in ziel wordt opgevangen is,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

Een adem die zich uitstrekt over alle weten,
en tot in het diepste, hoogste kijken, voelen kan en kan vergeten 
om daaronder bloot te leggen
wat in oorsprong was bedoeld
om in de tuinen van het hemels rijk te bloeien,
sterrenstof,
nog niet opgewaaid, onbezoedeld
zonder betekenis
de lokroep van wat zo in ziel ligt opgevangen,
een is dat altijd zijn zal
zo blijft duren

afbeelding © Lennart Nilsson

Stenen Vleugels

Tussen de wolken vond ik naast de zonnestralen
tranen, tussen gisteren en morgen vond ik jou,
hoe diep toch is dit wederzien, hoe gaat mijn hart
tekeer, want nu je er niet bent liet je toch druppels
achter die nu liggen te schitteren in dit avondlicht.
Ik liep bijna voorbij, maar steeds was je er weer,
als om te zeggen: ik ben je niet vergeten, kijk:
het staat in deze steen geschreven reeds lang voor
je geboren werd, en omdat je zou geloven dat ik
het echt wel ben liet ik mijn veren waaien en deze
schenk ik jou, de steen om nooit meer te verdwalen
en je hier te houden, verankerd met de aarde,
de veer zodat je altijd mij kan vinden en onze
zielen zich verbinden. Tussen de wolken zullen
wij verenigd zijn naast zonnestralen en in tranen,
niet van verdriet, maar van de vreugde waarin
onze Liefde zingt, schitterend in dit avondlicht,
daar zal verlangen dan versmelten, daar vieren wij
de teugels, daar krijgen stenen vleugels.

afbeelding: Simplonpas, Zwitserland,  juli 2008, onderweg naar Les-Saintes-Maries-de-la-Mer 🙂

Kerven

Het lijkt wel of ik in
dit bos verdwaald ben
en geen uitweg vind,
zelfs niet meer kiezen
kan tot ik uiteindelijk
besef hoe hier geen
boom een andere tot
spiegel heeft, dus hoef
ik ook geen schors te
kerven om wegwijzers
te plaatsen en deze pijn
te dempen, slechts als
ik deze angst durf
toevertrouwen aan de
bescherming van hun
oud verhaal  herken ik
plots het pad dat ooit
mijn keuze was
en onbelemmerd
en ontvankelijk
voor mij werd uitgelegd

Atlantis

Er is een wereld die onontgonnen
nog te wachten ligt, die ik verliet
in alle onschuld en ontvankelijkheid,
ongeschonden, waarin ik woordeloos
kon groeien, waar ieder ogenblik
ondeelbaar de verwachting droeg
van eeuwigheid.
Er is de wereld waar ik binnenging,
die me ontving en waar ik leerde
spreken in een nieuwe taal die ik
slechts vaagweg kende van hen
die waren teruggekeerd.
Ik wilde proeven van dit oud verhaal
maar vond een spoor dat enkel verder
leidde van de haven waar ik ankerde.
O, dan gooi ik alle trossen los,
verwelkom ik de horizon, de steven
pal gericht op het verdronken land.
Zo keer ik terug, zonder een woord,
maar met een nieuw verhaal.

Verrijzenis

Wakker worden en de klokken luiden,
wat valt er vandaag te rapen?
Het gras kleurt langzaam wit zoals
ogen die ontsluiten. Zachtjes tasten
vingers in de ruimte van het wonen
naar vertrouwde bruggenhoofden.
Wanneer zullen we dit zonlicht kennen,
wanneer zal laaiend vuur ons duister
nachtverlangen als een feniks doen
ontvlammen, wanneer zullen we opnieuw
verrijzen? Want tot het openend weten
zijn onze zielen in helderheid geboren.
Wat valt er vandaag te rapen nu
de klokken wakker luiden ?
Flitsend trekken vogels strepen aan
de hemel, het is windstil en wolken
schrijven dit verhaal. Kom, kom en
deel de vreugde van dit samenzijn,
kom, kom, ontken de tekens niet, kom,
kom, laat alle zorgen los, en kies
de liefde van je leven, want klokken
luiden, vandaag zal je verrijzen,
kom, kom en je zal rapen wat zomaar
te begrijpen valt, de woorden liggen
wit te wachten in het gras, kom, kom,
proef de zoetheid van hun taal, ze
zullen je bedwelmen, je beschermen,
je vergeven, je moederlijk ontvangen
als het hemels brood dat altijd
al je lijden draagt. Vandaag luiden
de klokken en zij luiden wakker,
vandaag is alle liefs voor jou,
want zo staat het geschreven

afbeelding: klokkentoren Saintes-Maries-de-la-Mer, Frankrijk