Wie speelt zoals een kind met woorden
ontvangt de rijkdom van de taal.
Het tovert uit een hoed vol wonderen
en toont de vreugde van het leven.
Het knutselt letters en schudt
de toverkijker in wentelend patroon
van kleuren, licht en luister.
Kijk: daar gaat mijn moeder, vader,
broer en zus, daar schijnt de zon
en lacht de maan, daar loopt
mijn lief en tuft het treintje over
de daken van de buren.
Wie speelt zoals een kind met woorden
ontvangt de rijkdom van de taal.
Zelfs ongeboren liggen de letters
als aanwezigheid geborgen in
de lege ruimte van het slapen.
Terwijl het schapen telt ziet het
hoe in de verte reeds de wolken
aan het span verschijnen, hoe
zij de hemel indekken, hun koetsen
gedreven door de wind. En in
dit sprookje leven zij, verder dan
dromen kunnen dragen.
Wie speelt zoals een kind met woorden
ontvangt de rijkdom van de taal.
Houvast

“Hou me niet vast…”, Johannes 20,17
Het is zoals de wind die tranen waait,
zover het oog kan zien strekt zich de
weg uit waarop ik nu mijn stappen
leggen zal, ik zal ze toevertrouwen
aan een dieper weten, de wolken
volgen die me zullen dragen naar wat
bij aanvang reeds voor mij was
voorbehouden, O, hou me niet vast
maar raak me aan, want dit is als
de wind die tranen waait, je ogen
worden nu geopend en het Licht
stroomt helder binnen, alles baadt
in open zuiverheid, nog onbetreden
en mijn verlangen om te bloeien
wordt nu aangewakkerd, het is zoals
de wind die tranen waait, en over
alles heen blaast zonlicht regenbogen
los, ik reik naar sterren, O hou me niet
vast maar raak me aan, raak me en ik
zal de overkant bereiken, houvast vinden,
O, voel, voel hoe deze wind in tranen
schrijft dat waar mijn voetstappen
zich drukten de afdruk overblijft
van samenzijn, en daarin dan een
zandkorrel, die schittert als een parel,
O, hou me nu vast, raak me niet aan
maar laat me gaan, want zo word ik
opnieuw geboren.
Universum
Mijn voeten en mijn handen, mijn vingers en mijn tenen,
mijn lippen, oren, haren, mijn ogen en mijn wangen,
mijn knieën en mijn neus, tot in mijn ellebogen, zolen
en het puntje van mijn tong, het beweegt,scharniert en
viert, het is een symfonieorkest waarvan ik Meester
ben, en dagelijks lees ik de partituur waarvan ik alle
noten ken en alle balken waar ik moeiteloos op dans,
waarop het zalig wiegen is, zoals een koorddanser
behoud ik schijnbaar zonder inspanning het evenwicht,
ik zing in alle tonen alle stemmen, steeds in perfectie
afgestemd, mijn enig uniek levenslied, schater het uit
om even later een veelbetekenende stilte in de ruimte
van het zijn te laten vallen en dan zie ik jou en ik word
meteen opgenomen in een sterrenzee, een oceaan van
zinderende lichtjaren, o, ver voorbij de horizon van
cirkelende melkwegstelsels want wat ik zie is oog
verblindend, alsof met sterren wordt geschreven hoe
de zon niet verder reikt dan deze vinger die wijst naar
wat wordt aangekeken, en zo heb ik dan nu het Al in
handbereik, en voor het grijpen. Nu ik je zie: wat ben je
oogverblindend, alsof je Hart begint te schitteren als
een pasgeboren Ster, niet ver, maar zo dichtbij, ja
binnen handbereik, klaar om geplukt te worden als
een rijpe vrucht, je zucht, ik voel de ijle rimpeling
zoals die in de lucht nu rondom mijn haren trilt en ja,
zo oogverblindend heb ik het nog nooit geweten, alsof
er slechts een ladder nodig is om dit gezicht van ster tot
ster, van oog tot oog in Liefde te verbinden, ja werkelijk,
als alle muizenissen voorgoed opgezogen zijn, door
zwaartekracht verzwolgen, fijngemalen tot waar het in
kometen nog wat oplicht als een slangenstaart, ja, dan,
ja dan begrijp ik hoe het komt dat jij zo plots verschijnt
aan de hemel die ik wakker denk: want mocht het niet
hier geschreven staan, zou ik nooit kunnen geloven dat
Jij het bent die met één vingerknip uit deze partituur
zo’n Vuur kan laten schitteren.
(animatie > http://nulpuntenergie.net/ )
Iris
Mijn zaad waait alle kanten uit, en wil
je weten waar het wel en waar het niet
ontkiemt, kijk dan naar deze berenklauw
snel, kom gauw, kom nu, of voor je ’t weet
ben ik opnieuw verloren. Purper, je irissen
zijn purper, zo had ik ze nog nooit gezien,
je lippen schieten vuur, ze krullen zich om
mij als vleesetende planten, nemen mij nu
in een berenklauw, en ik, ik geef me over,
hier is het nu en ben ik nu in jou en klauw,
kom gauw.
Onderstroom

En als ik je dan zie voel ik de onderstroom,
die sterker dan de golf de diepte schuurt,
mijn wezen raakt, beroert, zoals de traan
die opwelt uit de bedding van de ziel,
zuiver, helder en ontdaan van alles
wat het oog vertroebelt en het hart bezwaart,
verlichting brengt, de enige getuige
van wat daar op de bodem leeft.
(foto: boomdoorsnede, jaarringen en knopen van takken)





