Gavere

voor P. en M.

Wachten tot de wind over het water
dan verkleurt, tot golf wordt, langzaam
opzweept tot aan kusten ogen zich dan
openen om deze geuren te ontvangen,
wachten tot de wind over het water
dan van kleur verandert, wolk wordt
en zich over golven buigt om zee te
worden, één te worden, regenboog
die alle hemels overspant, wachten
tot de wind over het water dan
verkleurt, het is een langzaam wachten,
een geduldig vouwen en ontvouwen
tot vleugels zich over de adem plooien
en dan opnemen, oplichten tot helder
weten, tot doorzichtigheid, tot
aangespoeld het water borrelt uit de
bron die helderziendheid predikt voor
de pelgrims van de hoop, wachten tot
de wind over het water dan dit water
zegent, alsof het wolken regent, damp
geworden golven die nu over al dat
wachten heen een schitterend schijnen
werpen, oogverblindend, O, en kijk
hoe dan dit kijken door alles heen de
waarheid toont, alle verdriet en pijn
plots weggespoeld, iets nieuws, de
wind legt bloot wat ooit in daglicht
onmiddellijk werd gesmoord door
molenstenen, door hebzucht, haat
en pest, gedrenkt in bloed, O ja, het
is iets nieuws, het wachten waard,
het wachten tot de wind over het
water dan verkleurt, en zie: plots
baadt alles in groen Licht, het Licht
dat wordt geboren als de Liefde
oogverblindend zegeviert, zoals dit
Kind dat haver aanbiedt, haver aan
een ezel, langs een haven aan de
Gaverbeek.

16-05-2010, Havenkaaien Brugge  + Café/Restaurant “De Rotse”, Sint-Christianabron, Dikkelvenne
(geïnspireerd door de bloedige Slag bij Gavere  )

Manuscript ter plaatste geschreven

Header afbeelding via Google Streetview

Verkracht

Wij speelden in de tuin en gooiden hout
over de burenmuur. De Japanse kerselaar
was uitgebloeid, enkel op het gras lagen
de sporen van zijn pracht en kracht als
een herinnering aan zoete geuren en de
kleuren van ochtenden na nachten van
stil verlangen en verdriet. Je kon hem nog
herkennen aan zijn stam, hij droeg geen
vruchten, zijn soort licht enkel op, en kent
de vreugde van het dragen niet. Wij gooiden
hout over de burenmuur, wij speelden in
de tuin met vuur. Wij raapten resten op van
witte berken die we verzamelden als kraaien
die nesten enkel bouwen om ze daarna te
vernielen. Het sap dronken we nietsvermoedend
dat was ons zo verteld. En hoog laaide het
vuur ten hemel om even snel weer op te lossen
in de adem van het ogenblik. Wij speelden
in de tuin en gooiden hout over de muren,
wij lachten onbedaarlijk, ongevaarlijk leek
ons spel. Het vuur bleef smeulen en de zomer
kwam. Tussen het gras plukten we witte
klavers van de hoop die we tussen de bladen
droogden waarin verteld werd over verre
uitgestrekte stranden waarover vele zonnen
zacht hun stralen legden om ons te bedekken.
En toen we in de winter bladerden herkenden
we hun afdruk niet, enkel de witte vlokken
die in de kom van onze handen weigerden
te smelten. O, zo koud en kil, wat werd het
stil, verstijfd zoals het hout over de muren
van de buren, zoals de tuin waarin het
spelen nu verdwenen was. Het vuur bleef
smeulen en de lente kwam. Wij wachtten
dan de witte kerselaar, maar hij bleef
sprakeloos, tegen de blauwe luchten schreef
hij een uitgebloeid verhaal, vermoeid en
doodgebloed. Wij speelden tuin en gooiden
hout over de burenmuur, verdwaasd

Zonnestraal

Nu ik op wolkjes wandel zie ik waar
zonnestralen wonen, waar zij in
kamers zomaar binnendringen,
hun licht werpen in al mijn hoeken
zodat alles wakker wordt. En ook
de maan doet mee, want helderheid
slaapt nooit. Nu ik op wolkjes wandel
lijk ik wel te drijven, schommelend
met bolle zeilen op en neer te deinen,
zelfs in het oog van stormen is het
nooit windstil. Nu kan ik wonen
tussen takken, wieg heen en weer,
in golven spoel ik aan op stranden
waar geen voetafdruk ooit  zand
verlegde. Nu ik op wolkjes wandel
los ik op in blauwe hemels, schater
tussen sterren en val in druppels
neer. O, mijn hart loopt over, het
houdt niet op met kloppen, en
elke overslag laat bliksem flitsen,
zoals een zonnestraal die zomaar
kamers binnendringt, en mij
laat wandelen op wolkjes.

Zon

Vandaag heb ik de zon gezien toen
je me wolken gaf. Je ogen waren helder
als het water van een vergeten oceaan.
Ooit hoorde ik hoe je vertellen kon over
de vrede van een nieuw begin, over
grasvelden die eindeloos zich plooiden
voorbij de verste horizon en daar kon ik
verdwalen zonder ooit te vrezen deze
weg nooit meer te vinden. Vandaag
heb ik de zon gezien toen je me wolken
gaf, en in je ogen las ik dit verhaal
alsof ik thuiskwam in het paradijs. Nu
weet ik dat je me nooit verlaten kan,
hoe kan het anders want hier heb ik
gewoond in eeuwigheid. Vandaag heb
ik de zon gezien toen je me wolken
gaf, ik zal je niet vergeten, hoe kan ik
je vergeten want je bent er steeds. Als ik
niet wist dat er voorbij de wolken alle
Liefde woont, dan was ik niet. Kijk goed
het zal je niet verbazen, luister, hoor
je de stem die alle tranen droogt, die
alle vragen overbodig maakt, die zelf
het antwoord is. O, als je nu de stilte
kent dan ken je al het spreken, zoals
vandaag. Vandaag heb ik de zon gezien
toen je me wolken gaf, hoe dankbaar
is dit zijn, hoe prachtig is dit vredig
samenzijn, zo helder als je ogen waarin
wolken wonen en de zon, in blijvende
Aanwezigheid.