Tagarchief: wit

Zindering

Dit Wit is oogverblindend, zoals de draden
van een spinnenweb, doorzichtig, ijl , fijn
besnaard, in uiterst breken ligt er een mantel
over velden van herinneringen die nu levend
worden, die verwarmen, zoals enkel een Liefde
kan die zich kostbaar in je weten heeft genesteld
als een porseleinen ring, O ja, als ik glazig word
als ik mijn kijken afleg en met zielenogen opga
in dit zinderen,O, hoe oogverblindend dan is
nu dit Wit, alsof ik het kan aanraken, als een
binden van vergezichten dat zich over alle
verlangens neerlegt als een koestering, een
glinstering, O, het is een thuiskomen,  als in
armen, het is jouw aanblik, het aangezicht
van hoe je in je diepste wezen hemel voelt, een
hemel die zich uitspant over alles, over alle pijnen
heen en vreugde wordt, zoals een lach, zoals
die op vergeten lippen zich te ruste legde, zoals
die ooit verbond, en zoals nu dit Wit, zo oog
zo oogverblindend mooi, zo zin, zo zinverbindend
zo verblindend en zo bindend.

Ten Hemel Vaart

Zoals je schrijft zo wil ik
met je praten, helder Blauw
op Wit, zo klaar als water
dat gelukkig klatert eindeloos.
Zo diep is het verlangen dat
ik met je delen wil, zo zuiver
dit bewonderd drijven in de
hemel van je ogen. Je voedsel
zal me sterken 1000-voudig,
meer zelfs, zal me eeuwig
sterken want zo lang ben je
bij mij. Geen twijfel over dit
voortdurend weten, geen
oordeel wordt gesproken enkel
een stromend luisteren vanuit
een Bron die eindigt noch
begint, zoals de wolken varen
in een hemelbed, zo zal ik
met je dansen op de tonen
van dit Liefdeslied.

(15/8 Maria Hemelvaart)
(geschreven te Banneux ~bij een koffie in de ‘Esplanade’)

(afbeelding via http://www.marypages.com )

Zilvermeer

@ Zilvermeer, Mol, België

Over het Zilvermeer legt zacht
de gele avondzon haar mantel,
rimpelloos, een spiegel waarin
Liefdeswater zich onzichtbaar
wentelt, alsof met trage vleugel-
slag een reiger in windstilte wil
nestelen, stilstaan, altijd dieper
tot de bodem dan de oppervlakte
toont, O, over het Zilvermeer
legt zacht de gele avondzon haar
mantel, dekt toe wat overdag
in zwierig handschrift aan haar
huid werd toevertrouwd, een
minnestrelen, terwijl een late
zwaan dit alles met de beste wil
ontcijfert, en dan terugkeert
tot de oever, terwijl het Licht
verkleurt, onmerkbaar groeit,
in wolken regenbooggebeuren
sterrenwaarts, tot ogen enkel
nog in inktzwart wit ontwaren
en daar, O daar dan over het
Zilvermeer leg jij dan trouw je
adem neer, een mantelvlucht,
een zucht en ik ontvang dan,
opgelucht.

Vlokken

Zoals dit denken opgaat in de ijle
lucht, verdwijnt in wolken om als
regen terug te keren, zo smelt
de sneeuw vandaag onder de eerste
zonnestralen. Vier duiven doen
de treurwilgtwijgen buigen, zij rusten
hier op vleugels alsof zij weten dat
hun wiegen deze boom doet vliegen.
Op en neer bewegen takken, schudden
alle wegen weg, de zuiverende wind
zorgt voor de thuiskomst van het kind
dat in geborgenheid gedragen wordt.
Als dan dit denken wordt geboren
zal het dan zijn als ochtendgloren?
Zal het dan zuiver blijven, onbezoedeld
door de neerslag van het spreken?
De indruk die het maakt laat steeds
zijn sporen na, hoe moeilijk valt het
af te schudden in een zee van stilte,
hoe moeilijk is het voor de vlok om
niet als druppel terug te keren?
Toch zijn zij allebei de kinderen van
eenzelfde oceaan die slechts de taal
van Liefde spreekt. Daarin bestaat
geen onderscheid, daaruit zweven
de woorden naar de bij hen passende
zinnen, en het verhaal ermee geschreven
is dan het denken dat kan opgaan
in de ijle lucht, om als een zachte
regen terug te keren, zoals vier
witte duiven op de treurwilgtwijgen.