Wenteling

We zullen altijd in de wenteling der Aarde
Vuur doen branden, zoals vlammen door
de wind het pad van vreugde vinden, zoals
in verre horizonten stemmen klinken van
wat aan de overkant werd toegeschreeuwd,
ze slapen niet, ze slapen nooit, ze zoeken
enkel wederwoord, en oor, een Hart, een
Ziel om gaten op te vullen die  de golven
in de duinen sloegen, O, wat is het stil, zo
stil dat ik nu in je kan, je bent, je bent er
niet en toch zie ik hoe in de wenteling der
Aarde alle leven brandt.

(Geschreven op bezoek bij Paul Antipoff, 46,
reeds 18 jaar verlamd ~polio, maar een
bezield mens & schrijver met helende kracht)

ps: de foto is getrokken met flits door het venster
van het kapelletje naast Paul’s huis

Melkweg

gedicht “Melkweg”, door mijn vader, Ferdinand Vercnocke, 1947

o Wiel van sprankelend vuur dat door de ruimtenacht
wentelt en wentlen moet, geluidloos door de tijden,
kringloop van louter licht waarin de zonnen rijden
in koene regelmaat op eigen blinde kracht,
lukraak geworpen ring, geen einde geen begin,
niets dan een fonklend rad in ’t raderwerk der sferen,
dat ijlt door ’t ijle Niet om nimmer weer te keren,
duizelingwekkend snel de holle afgrond in,
wij wentlen wentlend mee in blind bewogen vaart,
een mensheid met haar hoop, haar bloed, haar puin, haar graven,
een aardbol klein en zwart bij dag noch nacht ontwaard…
En luide leert de mens zijn wijsheid en zijn wet;
hij haat en moordt en bidt terwijl de zonnen draven…
En ik ben mens door U, God’s vurig rad, verplet.