Tagarchief: oog

Vondeling

Je ogen lezen is als water putten uit
een diepe bron: onuitputtelijk stromen
verhalen die geen einde kennen noch
begin in talen telkens nieuw. Je ogen
lezen is als wolken volgen die de wind
vooruitgaan: over elkaar schuiven ze
de hemel langs, ze drijven op een spel
van zonnestralen. En daarin kan ik
wonen, al je kamers zijn vertrouwd,
zelfs blindelings vind ik de weg nog
voor ik slapen wil. Je ogen lezen is
de nacht vergeten , vergeten dat er
weten is. Je ogen lezen is verdrinken
in een oceaan van vreugde, is in
leegte zwemmen, is je armen zoeken
en er vinden wat onvindbaar is. Als
ik je ogen lees ben ik een vondeling.

Stil

Je luistert niet want het is stil , toch hoor
je 1000 woorden. Het spreken gaat aan
jou voorbij omdat je luistert met je ogen.
Zoals de zon nu achter wolken schuilt
zo regent het geluiden die je niet kan
zien. Toch wordt er hoop geschonken,
maar die vraagt niet om een wederwoord.
Er bloesemen geuren langs het venster
binnen en even word je afgeleid, je lijden
gaat even opzij, een zonnestraal kan je
verblijden. Even krijg je de indruk dat
het licht verschijnen zal, maar dan ga je
weer slapen, als een beer die naar zijn
hol trekt voor de winter, en klaar is om
in dromen te verdwijnen. O, als je een
mol kon zijn, dan zou je zien hoe helder
deze tunnel is. En sterker nog, er komt
geen einde aan. Het zien is er als naar
de plaatjes van een kinderkijker, waarin
gespiegeld 1000 beelden als  even zoveel
sterren draaien in  wentelende Melkweg
stelsels. O, als je  hier kon zijn, aanwezig
in dit ogenblik  dan zouden lichtjaren
je optillen uit je vergetelheid, je zou met
millimeterstapjes door eeuwigheden
reizen, maar je luistert niet, want het
is stil, toch liggen 1000 woorden voor
het rapen. Er valt een moeheid over je,
alsof een zwaartekracht je neerhaalt
in je winterhol. Kom, laat alle ogen
achter, en je zal zien dat op het netvlies
van je spreken, het luisteren te wachten
ligt, zwijg nu in alle talen, en ontvang .

Zien

Toen ik naar boven keek zag ik hoe een wolk
zich voor de zon kwam nestelen en toen ik
dieper keek zag ik nog een wolk en daarin
zag ik de zon, alsof het niet een wolk was maar
de zon die zelf tevoorschijn kwam, een nieuw
gegeven op het netvlies van mijn oog: en zo
zag ik met andere ogen, één oog dat wolk werd
en een ander zon, en beiden schenen helder,
wierpen hun licht op wat niet zichtbaar was
maar wel geweten, alsof wat nog niet was
toegekomen al bestond, nog voor het was
verschenen, en zo kan ik dan zien wat boven
hangt terwijl ik toch beneden toekijk, het is
slechts één stap om van hier naar daar te gaan
zoals een wolk zich voor de zon kan nestelen,
zo kan je zien.