Verlies

Nu ik plots afscheid van het zonlicht neem
vraag ik me af : waar heb ik het verloren?
Alsof de nacht steeds baadde in het licht zo
leefde ik zonder een glimp van enig teken
aan de overkant. Een vuurtoren die uitgeblust
nog draait, maar enkel kraaien nog tot
woning dient. Onzichtbaar zijn ze, even
zwart als het geblakerd glas waar zelfs geen
spiedend oog doorheen kan. Waar heb ik het
verloren? Is er een maaltijd waar ik niet
genood was? Heb ik in onvertogen woord
een ziel gekwetst of ben ik al vergeven?
Dit aanschijn is mij nooit getoond, zelfs
niet in dromen. Nu ik plots afscheid van
het zonlicht neem vraag ik me af: wordt
mij nog licht geschonken? In deze poel
van duisternis blijft zelfs het vuur nog
donker, hoewel ik scherp de hitte voel.
O, kom, wees lief, bevrijd me en ik zal
slapen als een roos die geurt zoals enkel
een roos kan geuren. O, kom, bevrijd me
van de angst die mij hier met open armen
van alle hoop berooft. O, kom, laat mij
niet los, ik zal je ieder woord beloven
als je mij zonlicht schenkt. Want nu ik
plots afscheid neem, verloren, vraag ik
me af: waar ken ik deze wind dan van,
tenzij van toen ik werd geboren?

Stervend

Het is nog donker, maar alle vogels
fluiten al, alsof ze ook aan jou willen
vertellen dat de nacht slechts daglicht
is waaruit de zon zich eventjes heeft
teruggetrokken. Verduisterd zijn de
ramen, maar binnen schijnt nog licht.
Zo hoor ik nog je stem hoewel je lippen
zijn gesloten, en weldra toevertrouwd
aan het verterend vuur. Je noemt me
bij mijn naam , ik antwoord met de
jouwe. Wij weten waar we tussen de
bekende sterren moeten kijken om
elkaar te vinden. Kom , kom ,
laat ons  opnieuw over zeeën varen
in een kleine boot naast walvissen
en zeemeerminnen, laat ons opnieuw
op warme stranden aanspoelen, laat
ons nog eenmaal wandelen langs eb
en vloed. Het is nog donker, maar
alle vogels fluiten al een afscheidslied
voor verre sterren, ramen waaien open,
gordijnen worden weggeschoven, ogen
knipperen hoewel jouw lippen zijn gesloten,
handen zeggen nu zoveel meer dan
woorden, hun wuiven doet de halmen
trillen, een zachte wind die onze haren
streelt, en een glimlach drijft de kamer
uit. Wij weten waar we tussen de bekende
sterren moeten kijken om elkaar te
vinden. Wij weten dat alle weten
in het vuur verdwijnt, maar geen
vergeten wordt , want dit weten zal
het voedsel zijn voor nieuw ontwaken.
Zoals je bent voor mij, zo zal ik met je
waken.