Wie

Wie ben je zeg het mij, wie ben je,
wie zal zeggen dat jij het bent als
ik niet weet wie je bent? Zoals een
blad dat dwarrelt in de wind zie
ik naar jou, ik wil je met mijn ziel
bereiken maar je waait steeds verder
weg, wie ben je, zeg het mij. De boom
blijft achter en houdt er stug het
zwijgen toe, hij heeft je losgelaten
zijn takken wuiven nog, je afscheid
deert hem niet, en jij waait verder,
en kijkt met snel verkleurend licht
naar wat je zo lang wakker hield.
Wie ben je, zeg het mij ik zou je zo
graag leren kennen, maar je waait
steeds verder, alsof je mij ook
losgelaten hebt. En ik blijf achter,
zwijgend zie ik hoe wolken met je
spelen, hoe je in hun armen wiegt
jouw afscheid ken ik niet en toch
wil ik jou zo graag horen zeggen
wie je bent. Je zwijgt en daarin
herken ik plots aanwezigheid ,
alsof niet ik maar jij het was die
vroeg: wie ben je zeg het mij.

Zon

Vandaag heb ik de zon gezien toen
je me wolken gaf. Je ogen waren helder
als het water van een vergeten oceaan.
Ooit hoorde ik hoe je vertellen kon over
de vrede van een nieuw begin, over
grasvelden die eindeloos zich plooiden
voorbij de verste horizon en daar kon ik
verdwalen zonder ooit te vrezen deze
weg nooit meer te vinden. Vandaag
heb ik de zon gezien toen je me wolken
gaf, en in je ogen las ik dit verhaal
alsof ik thuiskwam in het paradijs. Nu
weet ik dat je me nooit verlaten kan,
hoe kan het anders want hier heb ik
gewoond in eeuwigheid. Vandaag heb
ik de zon gezien toen je me wolken
gaf, ik zal je niet vergeten, hoe kan ik
je vergeten want je bent er steeds. Als ik
niet wist dat er voorbij de wolken alle
Liefde woont, dan was ik niet. Kijk goed
het zal je niet verbazen, luister, hoor
je de stem die alle tranen droogt, die
alle vragen overbodig maakt, die zelf
het antwoord is. O, als je nu de stilte
kent dan ken je al het spreken, zoals
vandaag. Vandaag heb ik de zon gezien
toen je me wolken gaf, hoe dankbaar
is dit zijn, hoe prachtig is dit vredig
samenzijn, zo helder als je ogen waarin
wolken wonen en de zon, in blijvende
Aanwezigheid.