Golgotha

Gesprek met een ter dood veroordeelde

Het wachten is op bloed dat rijkelijk zal vloeien
als inkt van zwart gesmolten over groen, helder,
de nachtportier zal drenken in een zee van vuur,
het wachten is op bloed dat rijkelijk zal vloeien
als het zonlicht dan de klinkers zal weerkaatsen
die in hout gedreven zijn, waarmee het kloppen
wordt geschreven waar mijn aders van door
drongen zijn, verschroeiend manna dat zomaar
uit het inktzwart komt gevallen als uitwerpsel
van ingeboren overschot, verstikkend in dit helder
modderwater, O,
het wachten is op bloed dat goed dat bloedt dat
rijkelijk zal vloeien als tussen vingernagels de eelt
bezwijkt voor etter,  als wolken waaruit regen nog
niet druppelt maar die toch al zwanger zijn, O,
het wachten is  op bloed dat rijkelijk zal vloeien,
keer op keer, een periodiek van eb en vloed, als
inkt van zwart gesmolten over groen, helder,
de nachtportier zal aankijken en stamelend vragen
“lees mij dan”, laat mij weerklinken, zoals die spijkers
die in hout gedreven het kloppen zullen schrijven
waar mijn aders van doordrongen zijn, zoals
de nerven van dit blad waarop plots de schatkaart
zich ontplooit en daarop  dan de wegen zijn gebrand
die leiden naar het Paradijs, O,
het wachten, ja, dit wachten is als bloed dat eindelijk
kleur bekennen zal, de kleuren waarmee ik jou als
ademende regenboog omspande, die jou hemelhoog
tot manna puren, O,
je was verrezen en ik offerde mijn bloed dat zomaar
uit het inktzwart kwam gevallen als uitwerpsel van
ingeboren overschot, verstikkend in dit helder
modderwater, O,
het wachten kan niet langer, het bloed heeft mij
genomen, ingenomen, opgeslokt, nu ben ik dan
een inwerpsel dat niet te stelpen valt, een laatste snik,
tot bevend ik dan open voor de dagportier, O,
het wachten wordt hier rijk beloond want kijk:
nu, ja, nu vloeien wij samen in dit helder inktgordijn
van zwart gesmolten over groen, verlossing dan,
eindelijk opgelost.

(afbeelding: “Kristos”, Ferdinand Vercnocke, Olie op doek, 100 x 80 cm)

Eindtijd

Er is een einde en begin van dagen en wij weten niet
wanneer ons ogenblik gekomen is, wij reizen door de
tijd, door een onstilbaar Hart gedragen, het is niet aan
te wijzen, en toch is het aanwezig, wij zijn de golven die
op zee ontstaan, gestuwd door het verlangen om aan
land te komen, om op stranden zandkastelen te bewonen
die daar door kinderhand werden gebouwd, tot nieuwe
golven nieuwe dromen wakker spoelen telkens weer, O
wij weten niet wanneer ons ogenblik gekomen is, het staat
geschreven in het einde en begin van dagen, wel 100.000
maal, wij kunnen het wel vragen maar het antwoord werd
door dat onstilbaar Hart ver voorbij de grens gedragen
van wat kenbaar is, slechts als wij dieper zinken zullen wij
niet meer wagen naar die dagen want dan worden wij de zee
die al dat golven op en neer blijft dragen, wij worden zand,
wij worden kinderhand, bewoners worden wij, wij worden
kamer, wij worden hoeders van de ruimte waarin slechts
woont, in einde en begin van dagen, het nooit afnemend
kloppen dat alles overstemt, wij worden poortwachter,
heraut voor de Kasteelheer die ons met Zijn onstilbaar Hart
het einde schenkt en het begin van dagen.

(geschreven nav een inspirerend gesprek met mijn moeder en een 99-jarige dame: mevrouw Grietens, die vaak het zinnetje uitsprak: “er is een einde en begin van dagen”, moeder vroeg daarmee een gedicht te schrijven, ze vond het zo mooi dat ze me opdroeg dit voor te lezen op haar begrafenis, wat ook gebeurde ❤ )

Wenteling

We zullen altijd in de wenteling der Aarde
Vuur doen branden, zoals vlammen door
de wind het pad van vreugde vinden, zoals
in verre horizonten stemmen klinken van
wat aan de overkant werd toegeschreeuwd,
ze slapen niet, ze slapen nooit, ze zoeken
enkel wederwoord, en oor, een Hart, een
Ziel om gaten op te vullen die  de golven
in de duinen sloegen, O, wat is het stil, zo
stil dat ik nu in je kan, je bent, je bent er
niet en toch zie ik hoe in de wenteling der
Aarde alle leven brandt.

(Geschreven op bezoek bij Paul Antipoff, 46,
reeds 18 jaar verlamd ~polio, maar een
bezield mens & schrijver met helende kracht)

ps: de foto is getrokken met flits door het venster
van het kapelletje naast Paul’s huis

Vriendelijk

Wat was je vriendelijk vandaag, nog
voor ik vroeg had je het al gegeven,
zoals je natte haar kan drogen in de
wind als je even langs golven loopt.
Wat was je vriendelijk vandaag, je
was er nog voor ik je geroepen had,
zoals een zonnestraal plots oplichten
kan terwijl de hemel zware wolken
leek te dragen. Wat was je vriendelijk
vandaag, nog voor ik aan je dacht
verscheen je met een glimlach voor
mijn vensterraam waar ik me achter
een gordijn verscholen had, zoals
de rook het vuur verhindert op te
vlammen en dan plots wakker schiet,
één vlammetje dat alle duisternis
weerstaat en hoop biedt aan wat
nog te smeulen leek. Wat was je, O,
wat was je vriendelijk vandaag, zo
vriendelijk dat het wel leek alsof
alle sterren enkel oog hadden voor
mij daar achter glas, een kamerplant
die water krijgt in alle poriën van
zijn uitgedroogd bestaan, ja, even
was ik vergeten dat het Liefde was
die je bewoog, en dat je stilte zo oor
verdovend vriendelijk kan zijn.

(foto: ooievaars die ik ontmoette on the road naar Santiago De Compostellamet mijn bus weliswaar- een magisch moment!)