Wetenschap

Te weten dat alle weten
kan verdwijnen als de Zon
de druppels op laat lichten
tot ze uitgedroogd enkel
nog zijn herinnering, en
zelfs dat verdwijnt,
te weten dat alle weten
slechts het overvloeien is,
zoals de oceaan bij springvloed
glad strijkt, zich dan terugtrekt
en naakte oppervlakte achterlaat,
te weten dat alle weten
slechts een mantel is, een huid
die als een beschermend vlies
omspant wat zelfs geboorte
niet onthullen kan,
te weten dat alle weten is
als wind die zich laat voelen
maar zich niet laat aanwijzen
en toch is van alle wetenschap
de moederschoot.

Afscheidsbrief

Mayday 101

De stilte in mijn hoofd is oorverdovend, terwijl ik
in je ogen kijk lijkt het een wonder dat zelfs jij niets
opmerkt van dit overdonderend verhaal, ik kan het
niet begrijpen, ik kan het niet geloven, wij kunnen
elkaar niet bereiken als de taal ontbreekt.

De hemel boven lijkt steeds verder weg, hoe hoger
ik wil klimmen hoe nauwer lijkt de opening te worden
waarlangs licht naar binnen sijpelt, alsof ik neerwaarts
donder in een omgekeerde waterval, ik hap naar lucht,
ik adem dieper maar de lucht wordt ijler, hoe meer ik
snak naar zuurstof hoe lichter voel ik in mijn hoofd,
steeds lichter, mijn armen worden vleugels, ik kan nog
enkel wieken, het wordt steeds minder mogelijk om
verzet te bieden tegen deze drang die opwaarts stuwt,
er is een zwaartekracht die sterker is, die dwingend
overneemt van ademhalen, ik word ontvangen in
luchtledigheid waarin ik eindelijk spreken kan:

“Ik ben niet meer en toch kijk ik je aan, reik ik je aan:
ik bied je oogverblindend inzicht in mijn taal, schenk
mij  jouw stilte, oorverdovend, overdonder en beadem
mij,  ik bid je nu, wek me tot leven, luister, vertaal dit
sprekend zwijgen, spreek me aan, doorzie me, bereik me,
herken me, raak me aan, ik weet dat je er bent, ik vraag je:
denk me om, gebruik mijn glimlach en maak er de sleutel
van die de geheimtaal van mijn ziel ontcijfert, breek mijn
code, open mij, treed binnen alsjeblief,  vergeet  mijn zinnen,
en ik schenk je mijn verhaal.”

De stilte in mijn hoofd is oorverdovend, terwijl ik
in je ogen kijk lijkt het een wonder dat zelfs jij niets
opmerkt van mijn overdonderend verhaal, ik kan het
niet begrijpen, ik kan het niet geloven, wij kunnen
elkaar niet bereiken als je mijn taal niet spreekt.

~opm: zelfdoding is één der belangrijkste doodsoorzaken
in onze maatschappij, met dit gedicht probeer ik een stem
te geven aan wat niet gehoord wordt

Witte Wolk

Zal ik van de Liefde zingen, zal ik
in je Hart laten weerklinken hoe de
Zon verblijden kan, zal ik in nieuwe
kleuren hemels schilderen zoals die
in je dromen schitteren kunnen,
waarin je wonen kunt als in paleizen,
paradijzen waarin je telkens opnieuw
drinken kan van dit helder weten, dit
niet meer hoeven vragen, dit niet meer
hoeven dragen van de lasten waaronder
schouders haast bezwijken, die daar
ongevraagd zich opgestapeld hebben,
zich hebben ingenesteld, tot je gebukt
nog enkel de afdruk ziet in onze Moeder
Aarde van het gewicht dat in je voetspoor
achterblijft, ja, zal ik van Liefde zingen, O,
die stille, onuitputtelijke Bron van Eeuwig
Leven, ja zal ik van de Liefde zingen, als een
adelaar, een stip slechts cirkelend rond een
hoge witte wolk die drijft op wat je altijd
heeft gedragen, om te mogen Zijn en te
ontwaken zoals je geboren bent?
Dan zal ik met jou dit geloof nu delen,
dat die hoge vleugelslag voorbode van
gevederde verlichting is, een nieuwe
zuiverende zindering die door je aders
stromen zal, zoals de Zon verblijden kan,
wanneer ze straalt doorheen en rond een
witte wolk,  hoog boven onze  Moeder Aarde.

Volle Maandag

O, naast jou brandt  rood verlangen, alsof
je  dit ogenblik verlichten wil. Het is nog
donker, toch klinken vroege zangers die
hier alle spreken dempen tot een fluisteren,
zo is het goed te luisteren naar wat in je
ziel geschreven staat. Mistige sluiers hangen
vochtig over de tuinen van je jeugd waarin
de  duisternis geschreven staat als in een
boek waarover nog het stof verdwaalt van
eeuwen. Zo word je langzaam wakker, er
zijn enkele letters die hierbij je ogen openen,
je dromen worden dan in deze dag gedragen
om te koesteren als aangewakkerd vuur. O,
naast jou brandt rood verlangen, alsof je
dit ogenblik verlichten wil. Zo dankbaar
is het daarin wonen , want alle weten
kan voorgoed versmelten met het lied
dat over alle graven zingt. Knielend tussen
vergeten namen wordt ongeboren hoop
geworpen in de dag van deze Aarde,
manen verzinken in het niets als alle
zonnen dit verdriet laten verdwijnen. Vier
vuren branden, en vier paren zullen deze
gloed bestendigen . O, het rood verlangen
brandt naast jou, O, dit ogenblik wordt
helder en verterend, je wandelt op het
zonlicht dat je voorbij de sterren draagt.
Plots klinkt je ander lied waarin een
schitterende liefde  openbloeit, een engel
komt zomaar op je schouder wonen, uit
alle spiegels straalt je  onzichtbare
aanwezigheid, jouw ogenblik wordt nu
het rood verlangen dat je net nog delen
wou, een bladzijde wordt omgedraaid,
je dag is eindelijk aangebroken, de vloed
is klaar de hemel in te nemen en alle
golven bedekken het gesluierd stof, jouw
dans kan nu beginnen, op deze volle
maandag straal je nu als nooit tevoren.

afbeelding: ‘supermaan’ aan de horizon, Steenokkerzeel, Humelgem, ‘Achter de Hoven’, zaterdag 19 maart 2011, 19:22 

Postuum

Je brief kwam toe, je lippen waren reeds
gesloten en ik opende opnieuw, zoals je
voor de eerste maal verzegelde geheimen
kan ontsluiten, voorzichtig, stil , plechtig
en nieuwsgierig naar wat voorbij het graf
aan openbaarheid wordt gegeven, zoals
een eeuwenoude farao nog spreken kan,
een schatkamer waarvan je het bestaan
vermoedde die nu schitteren kan in al
zijn goed bewaarde pracht en praal, ter
nagedachtenis van lang vergane glorie,
diamanten, goud en mirre , geschenken
van de koningen en keizers om de verre
reis naar onbestemde overkanten in alle
vrede laten te verlopen. En ik las opnieuw
je lach, je liefdevolle dienstbaarheid in
schuchtere woorden die hun best deden
om slechts te klinken als stil getuigende
vergeet-mij-nietjes, je merkt pas dan hun
geurende aanwezigheid als ze verdwenen
zijn, de leegte die dan achterblijft naast
rozenperken die zich haasten  om die plek
dan in te nemen en om snoeien vragen.
Je brief kwam toe, je lippen waren reeds
gesloten, en toch moest ik openen, en ik
opende opnieuw, je sprak tot mij: vergeet
mij niet, ik ben er nog, ruik je me niet?