Is That So?

“The Zen master Hakuin was praised by his neighbours as one living a pure life. A beautiful Japanese girl whose parents owned a food store lived near him. Suddenly, without any warning, her parents discovered she was with child. This made her parents angry. She would not confess who the man was, but after much harassment at last named Hakuin. In great anger the parent went to the master.
“Is that so?” was all he would say.

After the child was born it was brought to Hakuin. By this time he had lost his reputation, which did not trouble him, but he took very good care of the child. He obtained milk from his neighbours and everything else he needed.

A year later the girl-mother could stand it no longer. She told her parents the truth – the real father of the child was a young man who worked in the fishmarket.
The mother and father of the girl at once went to Hakuin to ask forgiveness, to apologize at length, and to get the child back.
Hakuin was willing.
In yielding the child, all he said was: “Is that so?”

(found @ http://www.ashidakim.com/zenkoans/3isthatso.html )

This Zen Koan I often share with my students

Paaseiland

Hier sta ik stil met op mijn hand een traan tot ster
versteend,  een zandkorrel, gedragen door de wind
die aangespoeld  mijn huid vertelt dat  ver
van hier het bloed zal vloeien van een kind.

Nu droomt het nog, en woont in zandkastelen,
met tovenaars, met koningen, en keizerinnen,
met legers voor de poorten, om oorlogje te spelen,
hier kan het nog met schelpen het water overwinnen.

Ooit huisde het in een paleis, een rode oceaan,
geen vraag hoefde gesteld, geen wensen uitgesproken,
daar was er enkel vreugde, warmte en bestaan
in eeuwigheid, in tijdloos nu, gedragen, niet gebroken.

Ik wacht, ik voel hoe ver van hier wolken van zand
ten strijde trekken aan de horizon, de luchten beven,
schudden mijn broeders wakker, ik laat mijn hand
zich openen om aan de wind dit leven terug te geven.

Hier sta ik stil, en op mijn netvlies brandt,
voorbij de tijd,  het waakzaam antwoord van de zee:
“Ik laat mijn golven wassen op het strand
en ik keer terug, en neem de schelpen mee.”

(afbeelding:’Paaseiland’, F. Vercnocke, olie op doek 100/80cm)

Wiegelied

Kom, kom hier, kom bij me
ik neem je in mijn armen kind,
voor jou zing ik dit wiegelied,
zoals toen je nog in me woonde
we samen waren, onafscheidelijk,
verbonden door een levenslint.
Kom, kom hier, kom bij me
ik neem je in mijn armen kind,
met jou wil ik dan bidden kind,
opdat je lippen enkel woorden
kussen waaruit Liefde spreekt,
zoals je tot mij sprak toen je
nog in me woonde.
Kom, kom hier, kom bij me,
blijf nog even, zodat we samen
zweven tussen sterrenwolken
en dit alles glimlachend
aanschouwen, heen en weer
en heer en weer op golven
van dit vredig samenwonen.
O, kom, kom hier, kom bij me
kind, O, blijf nog even, laten
we drinken van elkaar en
schenken, een geschenk dat
deze dag als edelsteen markeren
zal, haar Licht zal schitteren,
herkenbaar zal je zijn, altijd
bij mij, ik zal je altijd vinden.
O, kom, kom hier, kom bij me
kind, want als ik je dan vind
zullen mijn tranen van geluk
dan schitteren naast jou als
sterren die door wolken
priemen, getallen opgeteld
verenigd, opgelicht verlicht.

Hier

Waar ben je nu?
Waait wind wolken weg
ontplooit er zich een dieper
weten: vanuit een blauwe
diepte spreek je, zoals je
nooit gesproken hebt, en ik
luister, je woorden dragen
verder dan mijn lippen ooit
vermochten, en zo fluister
je mijn naam, je schrijft
in letters die alle wind
weerstaan: je blijft
bestaan

Wandelaar

Een wandelaar kijkt rond, verkent het stappenplan
met vleugels en droomt reeds van een vergezicht dat
nog verborgen ligt, een wolkenwandeling die helder
uitgestippeld op de landkaart van het leven staat
gedrukt, nog onbetreden, een wandelaar kijkt rond,
hij draait en keert en volgt een ogenblik, een spoor
dat moet getrokken worden om horizon aan horizon
te binden, een wandelaar kijkt rond, klapwiekend over
grenzen, waait heen en weer, zwerft tussen aankomst
en vertrek, een golf die noch aan eb noch aan de vloed
behoort en toch een thuis vindt in het stromend water,
een wandelaar kijkt rond en twijfelt even, alsof hij
niet geloven wilt dat wat hij achterlaat zal terugkeren,
zoals een ademtocht, herinnering, die zich opnieuw zal
openplooien als een onbekende levenslijn, die niets
anders verlangt dan nacht aan dag en wandeling aan
wandelaar te binden.