Beginnend

En als het einde komt wat rest mij dan
dan word ik sprakeloos want alle woorden
heb ik reeds gesproken zo vluchtig als de wind
onzichtbaar zijn ze opgelost maar, weet ik nu,
toch niet verloren want nu het einde komt
rest mij dit wonderlijk begin: herinner je
hoe ik met jou dit zandkasteel bewonderde
en hoe onmogelijk het was de zandkorrel
te vinden die het kasteel scheidde van ’t strand
zo blijven wij verenigd in dit beginnend nu
dat nooit een einde kent

(afbeelding > http://pieterjangrandry.wordpress.com/2008/10/12/erosie/)

Wedergeboorte


En als mijn bloed zal wassen als de zee
wat blijft er over?
Dan zal ik opnieuw met jou spreken kunnen
in onze moedertaal.
O diepe vreugde nu ik weet dat jij het bent
waarin ik wonen mag.
Ik zocht naar jou in verre landen maar overal
was ik een vreemdeling enkel verlangen was
mijn reisgezel en vreemde tongen.
Wat blijft er over nu het strand is schoongeveegd?
Mijn bloed is wassend als de zee en met jou
kan ik spreken in onze moedertaal.
De zee heeft alle zandkorrels tot zich geroepen
gespoeld nieuw leven ingeblazen en zachtjes
weder neergelegd.
Wij weten om ons met open armen te ontvangen.
Ons bloed is wassend als de zee dat blijft er over.
Wij zullen huizen bouwen maar als het water roept
zullen wij gaan.

Berekend

Kijken met een kinderoog luisteren
met een kinderoor samen dromen
en samen drijven  in de ziel van
levend samenkomen, zo kan je in
huizen wonen zonder muren waar
alle zonnen alle hoop verlichten tot
een vreugdevuur waarin wij allen
dan opnieuw geboren worden en
ontwaken als een eeuwig bloeiend
duizendblad, niet berekend, niet
geteld, niet bevuild door alle slijk
der aarde, van alle pijn geheeld in
een nieuw en schitterend ochtend
gloren van geven en ontvangen,
zoals een kinderoog, het kijkt niet
om, of ook dit kinderoor dat enkel
opent voor gelijkgestemde zielen,
en dan, hier, in dit gezegend huis
van wolken, gras en sneeuw, van
water en van vuur, van wind en
vleugels, wandelen wij, met beide
voeten, geaard, gedragen door
de Moeder die ons leven, ons altijd,
altijd al Haar Liefde schenkt.

Godsgeschenk

In mij ben je niet meer, van mij
dat ben je nooit geweest, en zal
je ook nooit zijn, een handvol
liefde in twee ogenblikken, zo’n
hemel wil ik  voor je zijn, dat je
zoals wolken  daarin drijven kan,
dat ik daarin de zon zal laten
schijnen over alle buien heen,
om zo mijn regenboog te kunnen
spannen, en iedere straal zal je
een schaterlach ontlokken, zal je
verlichten, oplichten tot je met
eigen vleugels vliegen kan, drijven
op de adem die de wind laat
waaien, en die ons allen leven
laat, in mij ben je niet meer, van
mij dat ben je nooit geweest, en
zal je ook nooit zijn, je bent veel
meer dan dat, want wie je bent
staat in je ziel als letterstraal in
gouden eed geprent: ik ben, ik
ben een godsgeschenk

(afbeelding: Flint Island, Pacific Ocean)

Wonen

Vandaag zou ik zingen willen met
een stem die uit de wolken klinkt,
alsof pianotoetsen op de golven
komen aangespoeld in onbekende
kleuren, en als je vingers even deze
pracht beroeren ben je stomverbaasd:
het is alsof uit ziel geboren schatten
eindelijk het zonlicht mogen zien.

Vandaag zou ik zingen willen met
een stem die uit de wolken klinkt,
een Liefde die zolang gedragen
eindelijk tevoorschijn treedt in alle
pracht en praal, die enkel vraagt om
hier te mogen wonen, te blinken als
een ruwe diamant, die eeuwenlang
haar licht in duisternis onthullen
moest.

Vandaag zou ik zingen willen met
een stem die uit de wolken klinkt,
als tranen van geluk, want zie: ze
worden opgevangen en gedroogd,
bewaard als edelstenen om
de woning van het Hart te laten
schitteren, zodat allen stomverbaasd
dan mee dit lied met zachte lippen
willen delen.

Vandaag zou ik willen zingen met
een stem die uit de wolken klinkt,
onzichtbaar, zo aanwezig, overal
nu, overal ben je nu thuis, je hoeft
niet meer te zoeken, hier ben je nu
en hier mag je nu wonen.