Mirakel

We kijken naar een echt mirakel,
een spektakel, monden vallen open
van  verbazing, blinden  kunnen
zien,  liefdesverdriet verdwijnt als
voor de  zon  een sneeuwvlok. Regen
weerkaatst enkele zonnestralen die
doorheen wolken priemen, als een
halo, een sfeer, het aura van deze
gelovigen die overtuigd dit wonder
wachten. O, kijk één straal verlicht
een donker hoekje, waar in een
boekje enkele letters tegenstrijdig
blinken. Als ik niet wist dat dit
spektakel zich voor mijn ogen
openvouwde, ik zou het niet geloven.
Geloof dat Liefde alle wonden heelt,
want ook al heb je nu mijn Hart
gestolen, toch klopt het nog, wat
een spektakel, een echt mirakel.

(afbeelding: wolken boven Medjugorje)

Stervend

Het is nog donker, maar alle vogels
fluiten al, alsof ze ook aan jou willen
vertellen dat de nacht slechts daglicht
is waaruit de zon zich eventjes heeft
teruggetrokken. Verduisterd zijn de
ramen, maar binnen schijnt nog licht.
Zo hoor ik nog je stem hoewel je lippen
zijn gesloten, en weldra toevertrouwd
aan het verterend vuur. Je noemt me
bij mijn naam , ik antwoord met de
jouwe. Wij weten waar we tussen de
bekende sterren moeten kijken om
elkaar te vinden. Kom , kom ,
laat ons  opnieuw over zeeën varen
in een kleine boot naast walvissen
en zeemeerminnen, laat ons opnieuw
op warme stranden aanspoelen, laat
ons nog eenmaal wandelen langs eb
en vloed. Het is nog donker, maar
alle vogels fluiten al een afscheidslied
voor verre sterren, ramen waaien open,
gordijnen worden weggeschoven, ogen
knipperen hoewel jouw lippen zijn gesloten,
handen zeggen nu zoveel meer dan
woorden, hun wuiven doet de halmen
trillen, een zachte wind die onze haren
streelt, en een glimlach drijft de kamer
uit. Wij weten waar we tussen de bekende
sterren moeten kijken om elkaar te
vinden. Wij weten dat alle weten
in het vuur verdwijnt, maar geen
vergeten wordt , want dit weten zal
het voedsel zijn voor nieuw ontwaken.
Zoals je bent voor mij, zo zal ik met je
waken.

Vlokken

Zoals dit denken opgaat in de ijle
lucht, verdwijnt in wolken om als
regen terug te keren, zo smelt
de sneeuw vandaag onder de eerste
zonnestralen. Vier duiven doen
de treurwilgtwijgen buigen, zij rusten
hier op vleugels alsof zij weten dat
hun wiegen deze boom doet vliegen.
Op en neer bewegen takken, schudden
alle wegen weg, de zuiverende wind
zorgt voor de thuiskomst van het kind
dat in geborgenheid gedragen wordt.
Als dan dit denken wordt geboren
zal het dan zijn als ochtendgloren?
Zal het dan zuiver blijven, onbezoedeld
door de neerslag van het spreken?
De indruk die het maakt laat steeds
zijn sporen na, hoe moeilijk valt het
af te schudden in een zee van stilte,
hoe moeilijk is het voor de vlok om
niet als druppel terug te keren?
Toch zijn zij allebei de kinderen van
eenzelfde oceaan die slechts de taal
van Liefde spreekt. Daarin bestaat
geen onderscheid, daaruit zweven
de woorden naar de bij hen passende
zinnen, en het verhaal ermee geschreven
is dan het denken dat kan opgaan
in de ijle lucht, om als een zachte
regen terug te keren, zoals vier
witte duiven op de treurwilgtwijgen.