Melkweg

gedicht “Melkweg”, door mijn vader, Ferdinand Vercnocke, 1947

o Wiel van sprankelend vuur dat door de ruimtenacht
wentelt en wentlen moet, geluidloos door de tijden,
kringloop van louter licht waarin de zonnen rijden
in koene regelmaat op eigen blinde kracht,
lukraak geworpen ring, geen einde geen begin,
niets dan een fonklend rad in ’t raderwerk der sferen,
dat ijlt door ’t ijle Niet om nimmer weer te keren,
duizelingwekkend snel de holle afgrond in,
wij wentlen wentlend mee in blind bewogen vaart,
een mensheid met haar hoop, haar bloed, haar puin, haar graven,
een aardbol klein en zwart bij dag noch nacht ontwaard…
En luide leert de mens zijn wijsheid en zijn wet;
hij haat en moordt en bidt terwijl de zonnen draven…
En ik ben mens door U, God’s vurig rad, verplet.