Tagarchief: taal

Winterslaap

Als alle wolken zijn verdwenen
zal ik de woorden vinden aan
de horizon, een nieuwe taal
zal dan ontwaken uit een
winterslaap, en golf na golf
spoelen de letters aan, ik hoef
ze enkel te verzamelen zodat
ik dit verhaal kan schrijven
in het zand, en als ik dan
wandel over water neem ik
ze mee, helemaal
tot aan  de overkant,
voorbij de horizon
van het beloofde land

Hemels Vuur

Ik start de wagen.
De grote oorlog van het spreken keer ik de rug toe en laat hem achter waar hij thuishoort: op het slagveld. Bevrijding. Opluchting. Een uur elkaar in de ogen kijken, en slechts één antwoord uitspreken… Ik reken uit en kom aan ongeveer 10 euro per woord. Zielenknijpen heeft een pijnlijke prijs. Of telt de stilte ook mee? Oorlog is een kostelijke zaak. Zwaarste kost uit het defensiebudget. Bloedgeld. Misschien schenk ik mijn woorden beter aan een goed doel. Zelfgenezing door liefdadigheid. Dat kan tellen als therapie. Terwijl ik huiswaarts keer besluit ik ermee te stoppen. Ik voel me op slag stukken beter. Nog meer opluchting. Nog meer bevrijding.  Benieuwd of dit het begin is van “een nieuwe lente”. Een nieuw geluid is er al: de wagen laat een vreemd sputterend muziekje weerklinken. Sinds ik de wereld van Paulo Coelho leerde kennen kan ik niet anders dan dit te ervaren als een teken van het universum. Ik zit op het goede spoor! Jammer genoeg denkt de motor er anders over, die geeft er nu volledig de brui aan. Er is blijkbaar een verschil in sporen. De wagen volgt een eigenzinnig spoor, volgt andere tekens, waarschijnlijk gestuurd door een mechanistisch universum, vertraagt geruisloos, terwijl het verkeer rondom steeds sneller voorbijflitst. Alle leven verdwijnt uit mijn draagmoeder. Angstaanjagend, dus snel de pechstrook opzoeken en bekomen. Stilstand. Knipperlichten inschakelen en op zoek naar de gevarendriehoek. Niet vergeten uit te stappen aan de passagierszijde, of het loopt helemaal uit de hand. En zoals zo vaak als je iets nodig hebt blijkt net dat item te ontbreken. En het houdt niet op. Alle clichés verschijnen netjes zoals het hoort: een politiewagen komt me gezelschap houden op de pechstrook. Hier kan Coelho niet aan tippen. Of meneer een probleem heeft? Ik antwoord zoals het hoort en breng waarheidsgetrouw verslag uit. Of meneer een gevarendriehoek heeft? Ze zijn sneller dan het slot van mijn verhaal. De rest laat zich raden. Boete, sleep- en herstellingskosten overstijgen ruimschoots de prijs van een half jaar zielenknijpengesprekken. Ik kan Coelho wel verwensen. Even kan het universum me gestolen worden. De tekenles was iets te expliciet. Ik knipper even met de ogen om te ontwaken uit deze droom die een nachtmerrie werd, maar ik ben wakker. Jammer genoeg.

Thuis tijd zat om alles te ontleden. Ontleden. Alweer. Er komt geen einde aan. Het onverwachte is steeds voedsel voor diepere beschouwing, ik kan me de bedenker van die uitspraak niet voor de geest halen, maar nu heb ik er niets aan. Een uur geleden voelde het alsof ik het licht zag, nu betrekt de hemel. Een wandeling kan soelaas brengen. Frisse lucht. Zuurstof. Buiten geen donkere wolken, enkel helderblauwe lucht. Het helpt. Veldslag verloren, daarom niet de oorlog. De grote is bij deze gewaarschuwd.

Tijdens het wandelen merk ik dat het windstil is. Roerloze bomen, bladeren als betoverd onbeweeglijk. Het is een vreemde ervaring. Ik zie de zon dichter naar de horizon kruipen. Ik heb geleerd dat het niet de zon is die daalt, maar de aarde die zich afkeert. Als ik stilsta ben ik eigenlijk nog steeds in beweging. Ik vraag me af waar ik me van afkeer. In de verte mijn huis. Het tekent zich imposant af tegen de avondschemering. Maar ook mijn huis is dus in beweging. Ken je dat gevoel? Alsof je het trekken en drukken van de zwaartekracht aan den lijve ondervindt. Ik denk aan hoe dieren reeds lang van tevoren weten dat er een aardbeving aankomt. Ergens in de verte hoor ik een stem uit de grote oorlog mij duidelijk maken dat aarding heel belangrijk is. Met je twee voeten geplant staan en vanuit je kruin een draad laten vertrekken, hoog de hemel in. Ik stel me voor hoe een bliksemafleider zich moet voelen. Misschien is het bij Paulus wel net zo geweest. Van alle Bijbelverhalen maakte dat op mij de grootste indruk. Je bent als kind natuurlijk wel erg ontvankelijk voor straffe kost. Maar ik kon het me perfect voorstellen. In ons godsdienstboek had men niet nagelaten het zo plastisch mogelijk voor te stellen: steigerend paard, Paulus nog met één hand aan de teugels achterover zwiepend, de andere hand geklemd rond zijn zwaard, wiekend, lucht klievend, de mond opengesperd, zijn mantel wijds wapperend in de wind. Onwillekeurig dacht ik aan Zorro, maar dat was in zwart-wit. Hier was alles in felle kleuren geborsteld, en boven hem liet de bliksemflits niets aan de verbeelding over. Later nooit nog zo’n flits gezien. Verterend vuur. Hemels Vuur. Hier was de hand van God aan het werk. Dat zag je ook, vanuit de wolken reikte een hand naar beneden, en die behoorde toe aan de grote, streng kijkende, bebaarde Wijze. Ik vond het indrukwekkend, en toen ik na school naar huis fietste, keek ik angstig, maar vreemd genoeg ook wat hoopvol omhoog. Stel nu… Maar er gebeurde niets, wolken dreven verder, deden als vanouds hun ding, en ietwat teleurgesteld peddelde ik verder. Als kind geloof je onvoorwaardelijk, alles is uitvergroot, teleurstelling voelt aan als onbegrip, als toch niet uitverkoren zijn. Hoe ouder je wordt, hoe minder impact de verhalen hebben, hoe verblinder door wat je ingeprent wordt als het enige verhaal dat werkelijkheid wordt genoemd. Het is een bliksemflits van een andere orde, één die onzichtbaar is, waar geen afbeelding van bestaat, die zich subtiel en ongemerkt door voortdurende herhaling  meester maakt van je denken, tot je het zelf gelooft. Zonder het te weten ben je verloren. Verslaafd. En mocht je nog twijfelen is er de grote oorlog van het spreken, om het laatste verzet uit te roeien, tot je gelooft dat de verslaving geen verslaving is maar je natuurlijke staat van zijn. Uit wolken valt regen. Meer niet.

De wandeling doet deugd. Ik kan genieten van een prachtige zonsondergang, die ik ervaar als geschenk. Een zonsondergang, samen met zonsopkomst, zijn de sterkste energetische momenten van de dag. Zeker als er geen wolken zijn. Een jongen op een fiets stuift voorbij en wuift me toe, ik glimlach terug. Ik kijk hem na, zou hij… Maar hij is al te ver om fietser en landschap van elkaar te onderscheiden. Trouwens: vandaag zijn er geen wolken om wat dan ook te openbaren. Ik voel weer wat stromen, ik ben weer even verzoend met het leven. Het hoeft allemaal niet zo ingewikkeld te zijn. Genieten van eenvoudige dingen, je laten overstromen, meedeinen.

Ik sta weer voor mijn huis. Het is een oud huis, uit het begin van de vorige eeuw. De bakstenen werden nog ter plaatse vervaardigd. Aan de kleur ervan kon je zien hoe dichtbij of veraf ze van het vuur lagen. Harde en zachte stenen. Sommige kon je met je vinger afschrapen. Maar door de jaren en de luchtvervuiling was hun kleur vergaan tot bijna zwart. Onlangs heb ik de gevel laten zandstralen en opnieuw invoegen. Op bepaalde plaatsen was de voeg zo diep uitgesleten dat je er een hele hand kon in doen verdwijnen. Maar het huis gaf geen krimp. Zelfs een lichte aardbeving enkele jaren geleden kon het niet bewegen. Het moeilijkste was de keuze van de voegkleur. De aannemer liet me in de gietende regen kiezen uit een tiental stalen, die hij geduldig in de voegen uitsmeerde, zodat ik makkelijker kon kiezen. Uiteindelijk werd het okergeel. Ik wou iets warm en zuiders. Het resultaat overtrof mijn verwachtingen. Het zandstralen had de oorspronkelijke kleur van de baksteen hersteld: bordeaux rood, en dat paste perfect bij het okergeel van de voeg. Mijn moeder was tevreden: dat mijn huis nu dubbel zoveel waard was sprak ze gerustgesteld. Ik zou het nog vaak mogen horen. Ik betrap er me op dat ik net hetzelfde aan mijn eigen kinderen vertel. Met hemels vuur. Allicht.

De grote oorlog van het spreken kent vele hinderlagen.

(afbeelding: “Omzetting van Sint-Paulus op de weg naar Damascus”, Hans Speckaert, 1540-1577 ~ Maniëristisch schilder, Vlaanderen)

(meer: “De Oude School” ~ “De Grote Oorlog”)

De Oude School

De grote oorlog van het spreken heeft steeds hetzelfde, vaste patroon.

Je begint als soldaat en je promoveert met zekerheid tot bevelhebber. Je hoeft er zelfs niet voor naar school. Ik kan het weten. Ik heb beide stadia bereikt zonder ooit één examen te moeten afleggen. De keerzijde van de medaille is dat je altijd beide tegelijk bent. Het is eigen aan de maatschappij. Altijd is er een trapje hoger en een trapje lager. Zelfs op het laagste trapje kan je nog een tik uitdelen, en op het hoogste kan je ook nog op je donder krijgen. Het is een hiërarchie die bijna alomtegenwoordig is, die bijna alles doordrenkt. Bijna. Want ergens diep verborgen, onzichtbaar voor gelijk welke microscoop, door geen enkele techniek te vatten blijft er altijd nog wat achter. Je kan het niet benoemen, maar je voelt dat het er is.  Bij de één al wat sterker dan bij een ander. De grote oorlog is immers niet voor iedereen even groot. Het is een niet te temmen haardje van verzet. Een eeuwig vlammetje dat geen zuurstof nodig heeft. Laten we het noemen: de onbekende soldaat. En ook dat kan ik weten. Ik spreek er regelmatig mee. En dat gebeurt in kleine oorlogstaal. Niet in woorden te vangen.

Ik ontmoette de onbekende soldaat voor het eerst in het tweede studiejaar van de lagere school. Gemeentelijk jongensonderwijs. Nu is het een cultureel centrum en openbare bibliotheek. Boven de ingangspoort verwijst de naam nog naar het verleden: “d’Oude School”.  Aan de buitenkant van het gebouw is weinig veranderd. De gevel is opnieuw gevoegd en gezandstraald (in mijn herinnering zag ik een grijs gebouw) en  een verlicht bord met de naam van het sponsorende biermerk verraadt een nieuwe functie. Vanuit de verte, voor wie hier nooit is geweest, zou je denken: een grote boerderij. Ook de speelplaats ligt er nog. De speelplaats… verdriet en vreugde. Wat ons belette te ontsnappen is weggenomen. Maar er was ook een overdekte speelplaats binnen. Je kon er tot in de nok van het dak kijken. Vanuit mijn standpunt toen een enorme ruimte. En achteraan links de donkere gang naar drie klaslokalen. Aan de gangwanden taferelen uit de geschiedenis van de dierenwereld. Donkergroen. Soms bekroop me het gevoel dat ze tot leven kwamen. Ik kon niet snel genoeg in het klaslokaal zijn. Houten banken, griffel met lei, inktpot, “balpen” verboden. Stookoliekachel achteraan. Drie lokalen met telkens twee studiejaren, ieder met één meester. Vooraan het eerste en tweede studiejaar, achteraan het vijfde en het zesde. Daar zetelde de hoofdonderwijzer. De hoofdmeester. Het middenschip voorbehouden voor het derde en het vierde. De leeftijd en graad van de meesters was recht evenredig met de plaats van het klaslokaal. Wie in het eerste lokaal thuishoorde keek vol ontzag naar de rij die statig voortschreed naar die laatste deur in de verte. Het eindstation.

Zoals je ziet: de grote oorlog van het spreken heeft steeds hetzelfde, vaste patroon.

 Het was uit de nok van die overdekte speelplaats dat ik plots een aantrekkingskracht  voelde. De speeltijd was voorbij, en vooraleer het treintje naar de klaslokalen kon vertrekken, moesten we natuurlijk in mooie rijtjes, twee aan twee staan opgesteld. En toen was er dus die onweerstaanbare drang die mijn ogen naar boven richtte. Niet recht omhoog, wat schuin in de rechterbovenhoek van het dak. Daar ergens. Op dat moment heb je als kind geen flauw idee wat er gebeurt, je denkt niet, je voelt. Pas vele jaren later kan je het in woorden proberen te omschrijven. Je benoemt het, en eigenlijk ontneem je zo het mysterie zijn glans. Want dat was het wel. Mysterie. Oorspronkelijk betekent dat woord “degene die geïnitieerd is”, “met gesloten ogen en lippen”, omdat enkel geïnitieerden de geheime en heilige rituelen mochten zien. Wat een vreugde, wat een liefdevolle warmte waarin ik me welkom voelde. Een uitnodiging waaraan ik niet kon weerstaan, zonder iets terug te moeten geven. Zo overstromend dat het lijkt alsof je je bewustzijn verliest. Tijd verdwijnt. Seconden, uren, dagen, jaren, een eeuwigheid, er bestaat geen onderscheid meer. In gesprek met de onbekende soldaat. Gedragen zonder woorden. Als een poortwachter van de moederschoot leidt hij je binnen in iets wat groter is dan buiten, je kan er zwemmen zonder water in een oceaan van gewichtloosheid, je drijft altijd.
Een oude legende vertelt over een monnik die de abdij verliet voor een middagwandeling, en toen hij terugkeerde herkende hij niemand meer. Stomverbaasd moest hij vaststellen dat drie eeuwen verlopen waren, hoewel hijzelf er zeker van was slechts een korte wandeling te hebben gemaakt.
Toen voelde ik ook geen zwaartekracht meer, ik zweefde in een onbekende ruimte, sneller dan het licht leek het wel, zonder te weten waar de poort was waarlangs ik binnen was gekomen. Ik kan me nu nog steeds niet herinneren wanneer en hoe ik de weg terugvond, in het rijtje, het treintje van mijn klasgenootjes. Ben ik al wel teruggekeerd?

De kleine oorlogstaal kent geen woorden, kent geen vast patroon, er is geen patroon.

 In de volgende jaren waren er nog enkele “voorvalletjes”, drie of vier, maar nooit meer op school, enkel in familieverband. En nooit meer hetzelfde. Ik stuikte dan in elkaar als een lichaam zonder geraamte, werd een pop, tot grote paniek van mijn ouders. Ik zag nog wel, maar nooit was er de onbekende soldaat die me uitnodigde en de poort opende om in het mysterie te duiken. Dat duurde net zolang tot ik voor de dokter werd gebracht, en telkens veerde ik dan onmiddellijk recht, herrees uit het dodenrijk, als een moderne Lazarus. Tegenwoordig zal er wel een naam voor bestaan, ongetwijfeld. En zeer waarschijnlijk ook een geneesmiddel, ongetwijfeld. Ik hou het op: verlangen. Als je eenmaal geproefd hebt van het paradijs wil je terug, zo simpel is het. Eenmaal de lagere school voorbij, verdween ook de onbekende soldaat. Niet helemaal. We praten nog regelmatig, maar zijn stem wordt steeds maar zachter, steeds verstilder, van steeds verder.

De grote oorlog van het spreken kan verstikkend zijn.

Het is nacht, ik woel in bed, ik kan niet slapen. Wat rondwandelen dan maar, hapje eten, naar herhalingen kijken op televisie. Nog klaarwakker. Even naar buiten. Het is niet echt donker. Volle maan doet alles baden in diffuus koud licht. Yin en Yang. Dag en nacht. Licht en donker. De grote theorieën. Boekenrekken vol. Fortuinen hebben ze me gekost. Nou ja, toch een hoop geld. Of ik er slimmer van geworden ben? Veel lezen is geen garantie voor wijsheid. Ik hou vooral van poëzie, dicht-kunst. Met minder woorden meer zeggen. Opnieuw een poging maar tussen de lakens. Als ik mijn ogen opnieuw open schijnt het zonlicht door de ramen. Maar uitgerust voel ik me niet.

 De grote oorlog van het spreken geeft de schijn veraf te zijn.

(meer: “De Grote Oorlog” ~ “Hemels Vuur” )

Vruchtwaterwoorden

(deze tekst is het resultaat van 1 ononderbroken schrijfproces zonder pauzeren)

Als alle licht verdwijnt wat blijft er over? Een glazen hart. Liefde en doorzichtigheid. De spiegeling ontbreekt. Als alle spreken zwijgt dan kunnen wij verblind de klanken strelen die overblijven in een zee van stilte.  En zij spreken. Als onbekende stemmen die we vlot herkennen en wij spreken mee.. Wij laten ons bewegen, gedragen als een druppel in de grote oceaan. En het ritme zwelt, zelfs wielen in de verte draaien mee. Wij wandelen op een bed van steen waarin verweven onze tenen houvast vinden. Ver weg bewegen de toppen en ze wiegen mee. Hier hoeft geen vuur, dat ademen we op tonen van een geurend dennenorgel. Naalden deinen op en neer. Waarom ontdekken wij de ruimte dan pas als de hemel klaart? Zijn wij dan niet geboren? De zonneherder drijft het wolkendekbed zwijgend verder. Waarom vergeten wij de stilte als de nacht ons dromen laat? Nog steeds beheerst het zwart de rode inkt. Dat maakt het schrijven donker. Waarom herkennen wij de kleuren pas als zij zacht samenspannen in een bloemenbed? Wolken drijven uit elkaar, zij drukken naar beneden en laten zo een opening ontstaan. Het zomert op het gras, ook daar huizen de klanken. Kinderen zingen, afgestemd zoals ze zijn op alle kiezelstenen. En alle hebben zij hun plaats tot onze zolen hen vertrappen. In de verte nog een vogelvlucht die langs de hemel klieft. Een rookpluim verraadt vuur. Hierin ademen wij en worden zo herboren. De mist trekt op, kleeft nog aan onze kleren, zoals een stromende rivier doorheen haar bedding sporen trekt, zo voelen wij de hartklop van dit ogenblik, en wij versmelten, wij worden zo  verenigd. Dan pas kunnen wij deze woorden spreken. Dan pas ademen wij die ene adem en kunnen wij de ruimte meten, ons meten met het nu, het ene waarin wandelaars hun reis beginnen. Zij aan zij, gedragen door de blikken links en rechts, voelen de vrouwen het verlangen. En de klanken zwellen aan. Wat hebben wij opnieuw verloren dat wij hier zijn aangeland? Is het de stilte die ons welkom heet of zijn het de stromen van de wereld die hier nu hun smeltpunt vinden? Is het de schoonheid waar we ’s nachts van dromen? Of lijkt alles maar te zijn? Te zijn een deelgebied dat wij bezoeken moeten? Het is het ritme van ons bloed dat  kloppend door betekenende aders loopt, voortgestuwd, zoals dit handgeklap ons opzweept. Jawel, hier heb ik naar verlangd, naar een weten dat reeds vóór het weten wist. Want hier nu is het opgaan in bekende warmte, is dichter komen, dichter totdat wij eindelijk het vuur ontdekken, het vuur dat ons verlichting brengt, het vuur waarin we eindelijk het rood herkennen, het rood waarin wij ons zielsblij, onvermoeid steeds wentelen kunnen, zoals de aarde rond de zon en rond zichzelf.. En zo worden de klanken dieper en vormen een vertrouwd patroon waarin ik delen wil. Waarom dan gooien wij de trossen los wanneer bekende klanken klinken, en waarom willen wij elkaar herkennen als het water klatert? Een schot weerklinkt, schrikken wij op? Helder is de nacht als stromend water waarvan wij drinken kunnen. De bron bevindt zich achter ons, zij laat zich vallen op haar hoogtepunt. Ten hemel rijzen haar zilveren stralen.  Zij likken gretig wolken als zoeklichten die aftastend vormen zoeken, ze ook maken. Dan blaffen honden zoals mensen. Hun ernst verraadt verlangen. Zij  draaien op een molen op en neer, zij jagen als hinnikende paarden. Zij wieken in het wild, zij malen er niet om. Zij zijn alleen met velen. Zij tellen letters, spreken de wartaal van het alfabet. Zij willen wonen in het ritme maar zijn  vergeten dat zij de taal beheersen. Hun macht ligt voor het grijpen, hun kracht  is als het water in haar kringloop. Zoals de tijd naar alle kanten kruipt tot wij verstrengeld plots de bomen niet meer zien. De fluitspeler dwingt ons tot verslaafden. Wij worden moe en leggen onze hoofden neer tot ritmische verstomming. Ik ga op zoek naar groen en zal het vinden. Kan ik op die manier de tijd nog achterhalen, vóór zijn? Ik was vergeten dat zij zich naar believen wentelt zoals wij woorden spreken. Zoals wij luisteren en voelen, zoals wij lief zijn voor elkaar. Zoals wolken uit het water stijgen, verder drijven, zo gevoed. En telkens weer, zonder dat wij kunnen  onderscheiden horen wij datzelfde water, voelen wij diezelfde bron. Terwijl de wolken overtrekken houden de bladeren zich stil. Enkele muggen trekken luchtpatronen. Haar woorden liggen nu voor mij. Ik drink ze als het voedsel dat ik lang ontberen moest. Ze inademen brengt levenskracht. Een merel schikt zijn veren en mussen vliegen over. De wind speelt hier met klanken. Kleuren veranderen zoals de huid vervelt. Tussen het gras naar voedsel zoeken levert nieuwe buit. Bomen wuiven en tonen ons hun klederdracht. Zacht strelen de tonen van de wolken. Kinderstemmen zijn de kers op deze taart. Willen wij gedragen worden hoeven wij slechts terug te keren. Onze oren zijn vertrouwd met de hartslag van dit blijven. Wij schreeuwen slechts uit ongemak. Ik ben nu jong als nooit tevoren. Ik word herboren. Wat waait hier toe? Zijn het de bladeren nog onbeschreven of de ijle lucht op deze hoogte? Zuiverder dan wit kijken wij rondom ons. Wij zijn nog niet verloren, wij zijn gevonden in dit ogenblik. Luisteren naar stemmen is herkenning zoeken, luisteren naar wind erkenning. Veel verder klinken de stemmen van de nacht. Je ziet ze niet. Ze fluisteren. Zoals ik naar je luister als je dicht tegen mijn oor je adem legt. Ik hoor je hart en voel het snokken in mijn keel. Verder dan duisternis leer ik je kennen. Vertrouwde klanken lichten op terwijl een nachtegaal de stilte opsmukt. Heb je die wel al eens gehoord? Hij zingt alleen voor jou. Zacht zoemt de nacht nu. Het is windstil, ik kan gaan liggen in een bed van rozen. In de naam der liefde. Woorden vallen neer om mondjesmaat geplukt te worden. Op bloemen strijken vlinders neer. Zij hebben in uiterste precisie zonder nadenken de juiste knop gekozen. Hun geur draagt ver. In blauw verbinden zij zich met de lucht rondom. Zij ademen. Hun lichamen dansen sierlijk met de hemel op de klanken van de wind. Het is alsof zij zweven. Onszelf kunnen wij niet verraden. Wij rukken op als speerpunten, ondervinden hinder en wij keren terug. Een koele bries streelt onze schouders. Hoe heerlijk is het dan de mantel van de liefde daaromheen te leggen. Vanuit de leegte putten wij het water. De hemel wordt gekleurd met bloemen en boven onze hoofden ontvouwt zich een palet van kleuren. Regenbogen vallen als oplichtende druppels. Wij plukken een pakket van dromen. Verdwalen hier is afdalen in waterputten. Wij naderen beginnen dat geen einde kent zoals in zwoele zomernachten de winter soms de kop opsteekt. Op uitgeschreven paden is het makkelijker wandelen maar de verwondering ontbreekt. Zullen wij kiezen voor het ongewisse? De borden zijn hier volgeschreven. Het krijt vervaagt naarmate wij dan dichtertreden en iedere stap verheldert duisternis. Vuur verteert de laatste resten. Wij voeden het met wat nog overblijft van gisteren. Morgen is veraf. Wat blijft er over als vandaag de spreeuwen zingen? Onthoofd zieltoogt hij, zijn vlucht gekraakt. De laatste tonen klinken in de ochtend. De geur van wierook begeleidt gepaste rituelen. Wij kunnen afscheid nemen. Rondom de open haard dansen wij in vreugde voor het nieuwe leven. Verrijzenis wordt nu gevierd in transparante spiegels. Wij kantelen het glas en lezen. Wij horen woorden die over donderslagen klinken. Het wachten is hier nu op groen. Gewassen met het water is het nauwelijks van wit te onderscheiden. Als inkt onzichtbaar welt het op uit diepe bron. Wij schrijven over onze zielen en de zon draagt onze letters. Zoals het gras gewillig meewaait, zo streelt wind de korenaren. Een heen en weer bewegen op het ritme van de ademhaling. Klokken luiden, delen dagen in. Over akkers, over weiland roepen zij tot inkeer. En daarom luisteren wij. Als naar verhalen die van verder komen. Wanneer proberen wij in dit vertellen op te gaan? Waarom dragen onze oren deze woorden? Het vieren is een groepsgebeuren. Als ik herkennend met mijn ogen lees worden mysteries laag na laag ontraadseld. Het zonlicht wijst hierin de weg. De liederen die gezongen worden deinen op en neer. Afwisselend draaien golven om te keren. Zij leggen zand neer en dansen op de vloedlijn. De schatten die zij achterlaten liggen voor het rapen. De kleuren hebben nu hun rust gevonden. Arm in arm bevolken zij de regels. Wat lezen wij als alle brillen zijn vergeten? Als het denken eenmaal achtergelaten vrijheid biedt om vormeloos de wereld te aanschouwen? Dan blijven enkel woorden over die als nerven aan de herfst betekenis hebben prijsgegeven. Dan begint het groeien van een nieuw verhaal. Dan kunnen wij vertellen in de taal die allen spreken. De misverstanden zijn plots uit de weg geruimd en rijpe vruchten blijven over die alle honger stillen. Niemand wil méér om te herkennen, niemand wil nog weten wie als eerste dit bedacht. Want alles is weer nieuw geworden, alles is de eerste keer, alles groeit en bloeit, niets nog is te houden. Rust vangt aan. De dag heeft met het licht de lakens naar zich toegetrokken. Nacht wordt verwelkomd als een verre vriend. Lichamen kruipen naar elkaar. Zij zoeken warmte en bescherming. Zij willen thuiskomen. De tijd wordt afgelegd zoals de dood. Een glimlach op de lippen werkt geruststellend. Wind kan enkel binnenglippen langs een kier. Geluiden zijn gedempt. Oogleden hebben alle moeite om de duisternis nog even voor te zijn. Waarom valt alles in een ritme dat geen dag verdragen kan? Ligt hier het antwoord van het licht dat ongevraagd zich plots heeft teruggetrokken? Is het daarom dat klokken verder luiden en vager steeds hun klanken laten doven? De antwoorden zijn snel gevonden als het denken evenzeer wordt losgelaten. Tussen de sterren houdt de aarde vast en bindt zo samen tot dit oude weten. Het is de kennis die vertrouwd klinkt in de open ruimte. Hier wandelen wij in deze zee van stilte. Slechts af en toe klinkt dan het verre fluiten van een vogelvlucht. Als zij zijn neergedaald zoeken zij voedsel, zeker van hun stuk. Zo kunnen wij verhelderd worden, als wij het zonlicht breken. Dan volgen wij de stralen in dit nieuwe licht. Dan zullen wij de woorden vinden die voor onze handen liggen. En als dan hoog de nacht intreedt verdwijnen onze angsten. De schoonheid van dit ogenblik zal zich in alle stilte openbaren. Het licht zal schijnen door een waaier van verborgen zonnestralen. De stenen zullen eindelijk hun rust bewaren, ongemoeid.

Ogenblik

Hoe komt het toch dat je in 1 verhaal
blijft rondzwerven, en in een ander
dan al na 1 ogenblik verdwenen bent?
Het is zoals met bomen, wind en
herfstblad, of met moederschoten
waarin het ene woord blijft wonen
en het ander zinnen vindt, maar beide
toch blijven verlangen naar de moedertaal.

(geïnspireerd na het zwerven in http://dunyahenya.wordpress.com/)