Tagarchief: adem

Bezieling

Er is een woord dat van bezieling spreekt,
het wordt gefluisterd en wie dan onbevangen
luistert naar wat door wind wordt ingeblazen
zal zich in gevouwen stilte zacht verbazen:
het spreekt niet van opstandigheid, het laat
de adem van het leven over zich de handen
leggen zoals golven over zand en die dan
glinsterend daarin de regenbogen laten
schitteren die horizon aan horizon verbinden,
het voelt als nooit tevoren, alsof een hemels
alfabet zich op het strand te rusten legt en
daar geduldig op jouw lezen wacht tot jij
betekenis blaast, zoals de wind die net nog
van bezieling sprak.
Dit woord, dit weten is een mantel en jouw
dragen zal verwarmen tot ver voorbij de
eeuwigheid, tot ver voorbij het hemels klinken
van de stemmen die nu aansporen tot wederwoord,
O ja, er is een woord dat van bezieling spreekt,
het woord dat aan jouw lippen vraagt het naar
het Hart te dragen, het woord dat als een kind
gekoesterd in de moederschoot ontwaken zal
wanneer jouw roeping dan het spreken wordt
waarop geboorte het vervullend antwoord is.

(Egenhoven, Radio Maria, 28-10-2011
afbeelding: hemel boven Medjugorje)

Kinderhand

Zoals het vliegen ademt op de wind
zo dragen vleugels de vingers van de
hand, het blad is onbeschreven nog,
maar in de palmen is voor eeuwig
elke levenslijn al ingeprent: de nerven
bakenen de ruimte af waarbinnen
groeien groen wordt. Zoals het vliegen
ademt op de wind zo schrijven alle aders
stromend hun verhaal: als alle harten kloppen,
in witte stilte dan moeten wij allen kleur bekennen.

(afbeelding: Lennart Nilsson)

Zand

Zoals de wind het zand schuurt
tot voetstappen verdwijnen, fijn
maalt, bedekt wat ooit een indruk
achterliet, werd opgericht, zoals
dan golf na golf wat achterblijft
nogmaals wordt glad gestreken,
zo neemt de zee herinneringen
mee tot ze in tranen dan opnieuw
verschijnen, en op je lippen proef
je wat in hart gegrift door ogen
dan wordt teruggegeven, het zoute
branden, en je wordt overspoeld,
vingers, handen, armen, heel je
lichaam wordt bestraald als door
het wentelende vuurtorenlicht,
dat tolt, en draait en keert, dat
in de zwarte nacht zich slingert
dwars doorheen je diepste plooien
tot in de nerven van je aders in
bloedstollend stromen, golf na
golf, tot dan de wind komt en zich
zacht te rusten legt, en je bedekt
en toedekt met een zachte adem,
zo neemt de zee herinneringen
mee, en blijft het zand steeds
achter als getuige

(afbeelding: strand Wijk-Aan-Zee)

Grote Wende

Proef, proef nu je adem en vertoef dan
in de velden van de hoop, loop hoog,
duik diep in hemels van verlangen,
drink, drink gulzig, onbevangen, laat
alle ballast vallen, het oppervlak binnen
bereik, verlaat het nest, verlaat het nest
een nieuw ontwaken werd geboren, O
proef, proef nu je adem, spreek het uit,
geloof dat duisternis slechts aanloop
naar dit weten was, dat je uit diepe
slaap gewaaid bent, ontvangen in
de open armen van de wind, O proef,
proef nu je adem, laat hem golven en
wees onbevangen, ga, wees opgenomen,
welkom in de Grote Wende die zich
in je keert, die niet meer te ontkennen
is, zoals de vogels fluiten en van tak
tot tak hun lied laten weerklinken,
oorverblindend: kijk, proef, proef
nu je adem, en hoe die op en neer
over de golftoppen het schuim doet
opspatten, wees niet bevreesd,
het is klaroengeschal, het Nieuwe
Leger dat ten strijde trekt, de boeien
los en alle vuurtorens bakenen met
lichtpijlen de nieuwe zonnewende
van dit onbekend seizoen, proef,
proef nu je adem, laat hem schallen,
maak alle stilte wakker, er zijn nieuwe
wetten die de droom hebben verlaten,
zij vleugelen over dit onbetreden
niemandsland, vrees niet, verwelkom
nu dit eeuwig leven aan de dood voorbij,
geniet van onvermoede paradijzen,
lichtjaar ben je geworden, O proef,
proef nu je adem, smaak de zoete geur
van overwinning die je zonder slag
of stoot en zonder bloedvergieten
aangeboden wordt, je hoeft niet meer
te twijfelen want alle zoeken is nu
opgelost in dit oneindig duren, een
blijvende aanwezigheid, gooi alle
trossen los, dit is de Grote Wende,
wees paraat, geen achterblijven meer,
verblindend Licht zal alle leed verteren,
en uit de asse zal één Lans verschijnen
die de banier zal dragen van een
weerloze omwenteling, O proef, proef
nu je adem want hij zal je dragen,
ver voorbij je hunkeren, O ja
de Grote Wende is opnieuw geboren,
en draagt de vruchten van onstuitbaar
mededogen, het teken van heropstanding,
de adem van herinnering, vergeet, vergeet,
gebed in Liefde overstroomt de hemel. 

 (foto’s: zonsondergang, Schelde, Antwerpen)

Vlokkenwind

En draagt de regen dan verhalen, staat
in het water soms geschreven wat door
het ademhalen gedachteloos, onzichtbaar
daar wordt neergelegd, als sneeuwvlokken
die even in kristallen schitteren om dan
te worden opgenomen, versmelten, spoor
loos achterblijven en verdunnen? De wind
nam hen ooit mee, gevleugeld neerwaarts,
hier en daar nog opvliegend, je kan ze
volgen, één voor één, je wilt wel reiken
als naar sterren, zonder te verpinken, hoe
kan je dan bereiken als de achtergrond
geen houvast biedt om ze te onderscheiden?
De nacht is helder, ontelbaar zijn de ogen
die ontmoeten, die alle facetten van dit
donker weten flitsend laten bloeien, je
wilt wel door en over alle kleuren heen
de overkant ontdekken maar die duikt
steeds verder weg, je handen worden
zonnestralen die voorbij de wolken dan
de grenzen willen breken, ontsluiten wat
verborgen ligt te wachten, onbetreden,
onaangeroerd, nog niet geboren, toch
aanwezig, zijn dat naamloos is, de ene
vleugelslag die van de andere nog niet
weet waar hij naar dragen zal, nog niet
ontvouwd en toch gedragen op de adem
van de wind, zoals in één dag dageraad
en avond wachten op elkaar, zoals één
hemel alle andere overspant, zoals het
gras de dauw en boom het blad, zoals
de zee altijd opnieuw een golf, het strand
het zand om haar te laten breken, zoals
de zomer herfst en winter lente, zo draagt
het water, zo draagt de liefde het verhaal
van jou en mij