Categorie archief: Pijn

Ravijn

RockWomb

De vlakte waarin mijn ogen ruimte vonden
grenzeloos, ligt plots achter mij en O,
voortdurend zijn het nu mijn schouders
die zich openrijten langs de meedogenloze
wanden van dit donkere ravijn waardoor ik
strompel, als geworpen, terwijl de hemel,
hoog, slechts tot een dunne streep geworden is,
zelfs helemaal verdwijnt. Mijn handen vinden
enkel stenen, klamme duisternis en kilte, het is
de zwarte engel die mij hier tot gids is, en opent
zich de kloof dan is het om slechts even later
donkerder mij in te klemmen. En ik besef:
hier werd ik toe geboren, om terug te keren
tot dit pad dat ik vergeten waande, waarvan ik
het bestaan ontkende, maar dat toch evenwijdig
langs mijn leven liep. Ik struikel, en proef
de hitte van mijn bloed dat me bedwelmen wil.
Is dit het einde van de reis, de prijs die ik
betalen moet? Waar is de veerman en het pont,
waar de rivier en waar de overkant?
Ik richt me op, mijn laatste woorden als een sleutel
leg ik als pasmunt in je handen en ik geef me over.

Verdriet

 

waterbrug3

Terwijl ik wacht herinner ik
de tranen die in je ogen diep
verborgen, nauwelijks merkbaar
als littekens getuigen van een oud
verdriet, zoals je leunend even
stilstaat op een brug om aan
de voet van bergen hoog
de sneeuw te schouwen die ooit
zal vloeien om tot rivier te worden
en dan te weten dat dit water stolde
uit de wolken rond de toppen,
en dat ze het verhaal vertellen
over de zeeën waarin ik tranen
liet, en zo, terwijl ik wacht,
herinner ik je ogen en daarin
mijn oud verdriet.

242 Coincidence Generator

 

Returning from my Summer Course on “Coincidence, Synchronicity, Toeval” in Dordogne, August 2012 see Antillia  I got lost on the roads of Normandy (France). I had a look on the roadmap and saw this funny village name: “Risquetout” (= “risk everything”), so I put that in my GPS. Then I noticed it took me to Route Départementale 242 (D242), and since I found out that this number is a powerful Coincidence generator (read the story here in Dutch: “242 Poëzie van het Toeval“) I decided to drive this road from beginning to end, starting in Le Sap and finishing in Trun, 26 km further on. Soon I found out that this road was the scene of a heavy battle during World War 2, remembered as “The Battle of Hill 262″ read about what happened here, how many lives were lost: Hill 262
To illustrate how devastating this fight was and how much blood colored this hill a quote from General Eisenhower: “no other battlefield presented such a horrible sight of death, hell, and total destruction…”.
At the moment I was driving along this road, I wasn’t aware of its history. Nevertheless, during this 26 km, I took pictures of all road signs. I can imagine for the soldiers back then they were more than that: such a sign could mean the road to heaven or hell. Driving along the road I suddenly noticed that my car’s odometer showed 46,242km, see at 02:42 so I stopped, a little later I arrived at the “Couloir De La Mort” (“Corridor Of Death”) see at 03:00 . At 01:45 I found a rememberance sign, showing the birthday of my mother: at the time of the Flagofficer’s death she turned 25.
To accompany the pictures I chose a song from the Frisian (Netherlands) singer/songwriter Nynke Laverman: “De Ûntdekker” (= “the explorer, discoverer, pioneer”) because I thought rhythm, composition & lyrics fitted the images and the history of this location.
Nynke’s site: Nynke Laverman

That afternoon will stay with me, as if it were that all who fought here, all who died, all who were wounded, all who survived cried out: NO MORE…. and that’s what I hear too in Nynke’s powerful, yet vulnerable song. Ave. Pax Tibi.

Here the English version of Lynke’s lyrics (from her site)

THE DISCOVERER

my blackened feet are marching
along the rim of the crater
my blackened feet are marching
along the rim of the world
my blackened feet are marching
along the rim of the crater
my blackened feet are marching
and I won’t go home just yet

I do not know where I am
I do not know what’s coming
but my feet thump onwards
along the rim of the crater
I want to know who I am
in every corner of the world
I won’t go home just yet
I want to know
I am the discoverer
of the great unknown in me
I am the discoverer
my tracks are fresh
each day I am new

my blackened feet are marching
along the rim of the crater
my blackened feet are marching
along the rim of the world

I change with the landscape
I merge with the climates
I blend in with each colour
strike a chord in every speech

I churn with the rivers
I side with metropolises
let myself be slain by the sun
let myself be filled by the rain

my blackened feet are marching
along the rim of the crater
my blackened feet are marching
and I won’t go home just yet

in deserts I boil sand
and drink tea with scorpions
I swim as supple as snakes
passing under cool rocks

in the icescape I am bride
and sleep in a white suite
on the biggest four-poster bed
I sing songs of crystal

I am the discoverer
of the great unknown in me

Lokroep

Want wat in ziel wordt opgevangen is,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

Buiten huilen, roepen schreeuwen daar,
daar en je kan er niets aan doen,
je kan, je kan er niet aan raken,
je kan, je kan er niet om heen,
je kan, je kan er, je kan er niet, 
er niet van slapen,
je kan, je kan er niet van waken,
want buiten, buiten huilen, roepen schreeuwen,
en je kan het niet verhelpen
want bedwelmend,
want verdovend,
tot je oren tuiten,
het is een wakker slapen buiten,
van alles wat zich binnen dan heeft opgeslagen,
en daar,
net daar verzameld tot een overlopen
tot een laatste druppel
die zich vallen laat op al je wangen,
al je verlangen huilt, vecht, wilt troosten
en roept schreeuwen,
daar, een niet te stelpen stroom,
en daar, daar liggen al je woorden
ze liggen daar, naakt,
o, hoe achteloos hebben je lippen, o,
hoe achteloos hebben ze alle betekenis ontmanteld,
verteerd
en daar,
net daar dat omhullend en beschermend weten
schijnbaar meedogenloos laten verdampen,
ja, buiten, buiten huilen, roepen schreeuwen
in een niemandsland,
en er is geen antwoord meer,
alle echo’s zijn verstomd, en je vaart verder,
wat draagt je nog,
wat vraagt je nog
of dit kompas de uitgeslagen koers aanwijst
of doldraait als een windroos
die niet meer weet welke wind te vangen
om dit verlangen in te klanken

Want wat in ziel wordt opgevangen is ,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

Winter, zomer, herfst of lente,
is het een roeping of een lokroep,
verwachting of verleiding,
is het vervulling, meer of minder,
is het versmelting, vereniging, 
of is het slechts een oud verdriet,
dat plots de uitweg heeft gevonden
om als een lavastroom alles te bedekken
een niets ontziende niet te stuiten opwelling
die alles wat het op zijn weg vindt meedogenloos versmacht
tot enkel rook nog over blijft die alle horizonten hult in duisternis,
waar zelfs de zon geen opening in vindt
om licht te brengen in dit vertwijfeld hunkeren,
dit heen en weer geworpen worden?
Is het een roeping of een lokroep?
Winter, zomer, herfst of lente, een luisteren of fluisteren?

Want wat in ziel wordt opgevangen is,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

O, en plots,
in niemandsland ontwaakt een nieuwe melodie,
ze trilt op golven  van een eeuwig duren,
ze jubelt in de nerven van mijn ziel
die langzaam slechts geheimen prijsgeeft,
die blad na blad en mondjesmaat het weten openvouwt in stilte,
O, waarlijk,
het is een onbekend seizoen,
een opening zoals tussen een ademtocht
die van ophouden niet weet,
het is, het is,
en naar de hemel reikt een witte boom,
niet om aan te raken maar om aangeraakt te worden,
zoals de winter en de zomer, lente en de herfst, slechts golven zijn
die heen en weer, en meer en minder,
vervuld of hunkerend, hoog of laag,
altijd een bedding en een oever nodig hebben,
een strand om aan te spoelen,
een rots om op te breken,
nu hoor ik ook geen roeping en geen lokroep meer,
het oud verdriet kan zich te ruste leggen in dit witte weten,
want het is nu opgelost,
en in die samensmelting der seizoenen
voel ik hoe jij een druppel op mijn wangen achterlaat,
die daar niet opdroogt maar begint te stralen,
een zonneoog waarin dit nieuw seizoen dan bloeien kan,
O nee,
je zingen is geen dwingen

Want wat in ziel wordt opgevangen is ,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

Het zijn dat tot zich neemt en toch niet toeneemt,
dat voeding voedt,
en dan gevoed zoals in ochtenduren, ontmoet
om dan in avonduren te ontwaken,
en ziet,
en ziet zelfs zonder,
zelfs zonder groeit en bloeit dit zonderlinge zijn,
en wast, neemt af,
zoals de zee in oceanen en oceanen in de zee,
zoals de druppel in het water,
het water in  diezelfde druppel,
steeds in en om en door en over alles,
alles heen en weer,
nu binnen, dan weer buiten,
O ja,
en in en uit, zo jij en ik, zo zon en maan,
zo ademend, zo één in twee,
een steeds opnieuw en onophoudelijk beminnen
van wat nu zichtbaar zich onzichtbaar nestelt
in de stroom van deze tegenwoordigheid,
zich fluisterend zomaar ontplooit

Want wat in ziel wordt opgevangen is,
een is dat altijd zijn zal zo blijft duren,
in morgen en in avonduren

Een adem die zich uitstrekt over alle weten,
en tot in het diepste, hoogste kijken, voelen kan en kan vergeten 
om daaronder bloot te leggen
wat in oorsprong was bedoeld
om in de tuinen van het hemels rijk te bloeien,
sterrenstof,
nog niet opgewaaid, onbezoedeld
zonder betekenis
de lokroep van wat zo in ziel ligt opgevangen,
een is dat altijd zijn zal
zo blijft duren

afbeelding © Lennart Nilsson

Kerven

Het lijkt wel of ik in
dit bos verdwaald ben
en geen uitweg vind,
zelfs niet meer kiezen
kan tot ik uiteindelijk
besef hoe hier geen
boom een andere tot
spiegel heeft, dus hoef
ik ook geen schors te
kerven om wegwijzers
te plaatsen en deze pijn
te dempen, slechts als
ik deze angst durf
toevertrouwen aan de
bescherming van hun
oud verhaal  herken ik
plots het pad dat ooit
mijn keuze was
en onbelemmerd
en ontvankelijk
voor mij werd uitgelegd